806 Fred Hirsch en sociale schaarste

Fred Hirsch, hij kwam in eerdere blogs een enkele keer voorbij. Geen bekende econoom, wel een inmiddels redelijk bekend boek uit 1976. Waarom kwam ik op het idee deze meneer eens apart te nemen? Omdat er maar enkele boeken in je leven zijn die je op een ander spoor zetten of die op een of andere manier blijven hangen, waar je naar terug keert, ook later als je ze allang weer in de kast hebt gezet. Een van de eerste boeken was denk ik van Pirsig (Zen de kunst van het motoronderhoud). Hij vertelde over zijn motortocht met zijn zoon en filosofeerde onderweg over het begrip kwaliteit. Zijn verhaal raakte een snaar, hij gaf mij denk ik woorden voor iets wat ik zelf allang intuïtief aanvoelde. Mijn vader had een soortgelijke filosofie avant la lettre, hij vond dat je iets met liefde of aandacht moest doen, niet gedachteloos afraffelen. Je kon volgens hem in een restaurant proeven of de kok met aandacht had gekookt of dat ie alleen maar spullen bij elkaar in een pan had gedonderd. Over Pirsig en dat boek valt veel meer te vertellen, ook weer een onderwerp op de stapel.

Een ander boek was 10 jaar later de 7 eigenschappen van effectieve mensen van Covey. Ook daar weer diezelfde vonk of zaadje dat zelf aan het werk gaat in je hoofd. Dat was toen een van de eerste zogenaamde management-boeken die ik las en er zouden er nog honderden volgen, daar ben ik helemaal van genezen, omdat er zelden iets tussenzit wat beklijft. Ik zou Covey nog een keer erbij kunnen pakken, maar wat mij betreft niet op de stapel, toch te braaf en kritiekloos zoals ik er nu insta. En toen kwam Hirsch een keer langs, die ook weer op diezelfde manier bekende en platgetreden paden als econoom ter discussie stelde. Zoiets had ik nog niet eerder gelezen. Ook weer dingen die ik altijd intuïtief al vond, maar nu dan door een ‘bekende econoom’ in een boek gezet zodat ik er woorden bij had (en ergens naar kon verwijzen). Kijk, we weten allemaal dat de kern van de economie (als vak) een hoop steriele aannames bij elkaar is, waar we lekker mee kunnen rommelen in een model. Niemand gelooft echt dat die aannames ‘waar’ zijn. Toch hebben ‘ze’ het voor elkaar gekregen dat we allemaal geloven dat de markt (een fictief begrip) voor evenwicht zorgt en dat dat goed is en fijn en dat we ons daar niet mee moeten bemoeien. De markt mag je niet verstoren want dan betaal je de prijs (minder welvaart, slechtere producten).

Zo’n model en achterliggende ideologie heeft ook iets aantrekkelijks, dat het vanzelf goed komt, dat er iets onzichtbaars aan het werk is (die hand, weet je wel) dat zijn dingen doet in ieders belang. En natuurlijk gaat het wel eens fout, maar dat komt dan omdat iemand zich er weer eens mee heeft bemoeid of het zijn uitzonderingen. Het is een robuust bouwwerk met zogenaamde ‘protective belts’ erom heen. Hirsch nu, die vertelde dat het geen uitzonderingen waren (dat de markt niet vanzelf tot het beste komt), maar het ging om intrinsieke eigenschappen, het zat ergens in de core van de economie. Niet in de zijlijn maar in het hart van de economie. Een zo’n begrip (en een oude intuïtie van mij en veel mensen denk ik) is sociale schaarste. Normaal kun je schaarste oplossen door de prijs te verhogen (dan taaien er vanzelf belangstellenden af). Maar bij sociale schaarste werkt dat niet. Denk aan een bijzondere baan die iedereen wel wil (president, koning?). Of aan het bereiken van nummer 1 in de hitparade. Die dingen zijn intrinsiek schaars, er komen er niet meer van, en dat terwijl velen vergeefs moeite doen die schaarse zaken te bereiken. Nu ik dit zo weer intik (dat kan beter trouwens, er zijn betere voorbeelden, wacht even), is de vraag of er nog meer (onbekende) economen zijn zoiets gedaan hebben. In ieder geval dus Akerlof, destijds al met zijn markt voor citroenen/limoenen (zie alhier op de site enkele blogs), maar dus ook in zijn 2015-boek over Phools waarin hij stelt dat markten systematisch dwingen om misbruik te maken van de zwakke kanten van mensen. Andere koek.

Verder, ook daarom Hirsch nu en hier, begon ik door Hirsch meer te denken in systemen en vicieuze cirkels. Ik weet niet zeker of het woord systeem of dynamiek door Hirsch ergens gebruikt wordt, maar het lijkt of hij op zo’n manier denkt en schrijft. Ineens vallen dan dingen op zijn plek. Dus voor mij is Hirsch vermoedelijk ook de start van de latere systeemdiagrammen. Ik leg daarom de vraag ook eens voor of Hirsch een systeemdenker is/was en waar dat dan uit blijkt, of dat niet de kern van zijn denken is.


Privé / loopbaan

Fred Hirsch werd op 6 juli 1931 in Wenen geboren als zoon van een sociaaldemocratische journalist, in een tijd van opkomende nazi-invloed. Zijn familie verhuisde in 1934 naar Londen, wat hem in contact bracht met de wereld van geëmigreerde intellectuelen. Hij was dus eigenlijk een Weense vluchtelingenzoon die in Engeland een typisch Britse academische en journalistieke carrière opbouwde.

  • Hij studeerde in 1952 met de hoogste eer af aan de London School of Economics, en werkte daarna als financieel journalist bij The Banker en The Economist, waar hij van 1963 tot 1966 financieel redacteur was.
  • Van 1966 tot 1972 was hij senior adviseur bij het IMF, waar hij zich bezighield met internationale monetaire problemen — dit was de periode van het instorten van het Bretton Woods-systeem, dus hij zat letterlijk aan de knoppen toen de naoorlogse monetaire orde uiteenviel.
  • Daarna was hij twee jaar research fellow aan Nuffield College, Oxford (1972–1974), waar hij begon te werken aan zijn beroemdste boek.
  • In 1975 werd hij de eerste hoogleraar International Studies aan de University of Warwick.
  • Zijn carrière werd echter afgebroken door ALS (motorneuronziekte), waaraan hij op 46-jarige leeftijd overleed — op 10 januari 1978.

Hij is dus relatief jong en op het hoogtepunt van zijn academische productiviteit overleden, kort na de publicatie van zijn grote werk.

Werk — Social Limits to Growth (1976)

Dit is het boek waarmee hij blijvend bekend werd. Hirsch betoogde dat de belofte van economische groei, die de samenleving zo lang had gedomineerd, op een impasse was gestuit — en dat de oorzaken daarvan vooral sociaal van aard waren, niet fysiek. Naarmate samenlevingen rijker worden, is een toenemend deel van de extra goederen en diensten die ontstaan niet voor iedereen beschikbaar. Twee kernconcepten die hij introduceerde, en die goed aansluiten bij de thematieken op deze site:

  1. Positionele goederen — goederen die hun waarde ontlenen aan schaarste die niet door technologische vooruitgang kan worden verlicht, zoals een schilderij van Rembrandt, een antiek object, of een elite-opleiding. Cruciaal is dat hun waarde ligt in de sociale positie die het bezit ervan mogelijk maakt. Hij zet dit af tegen materiële goederen zoals stromend water, reismogelijkheden en hoogwaardig voedsel — daaraan is geen positionele status verbonden, omdat iedereen ze uiteindelijk kan bezitten. Dit is in feite een vroege, scherpe formulering van wat later “status goods” of “winner-take-all”-dynamiek zou heten: groei lost het probleem van relatieve positie principieel niet op, omdat positie per definitie relatief is.
  2. Het commercialiseringseffect — de aantasting van de waargenomen of intrinsieke kwaliteit van bepaalde goederen, diensten of activiteiten wanneer deze via commerciële markten worden aangeboden in plaats van via persoonlijke, vrijwillige of sociaal ingebedde verbanden. Dit gebeurt volgens Hirsch omdat commercialisering instrumentele, winstgedreven motieven introduceert waar voorheen vertrouwen, beroepsethos of sociale relaties de kwaliteit borgden.

Zijn bredere these: de “sociale grenzen aan groei” ontstaan omdat commerciële prikkels deze schaarstes niet internaliseren — toegenomen reclame kan bijvoorbeeld de aspiraties naar positionele status vergroten zonder de onderliggende schaarste te verlichten, wat ongelijkheidsgevoelens versterkt. Empirische data uit de jaren 70, zoals stagnerende geluksmetingen ondanks stijgende inkomens in de VS en West-Europa, sloten aan bij Hirsch’s these dat groei voorbij de basisbehoeften afnemende meeropbrengsten geeft door geïntensiveerde rivaliteit om positionele bezittingen — dit is in feite een vroege versie van wat later de “happiness-income paradox” (Easterlin-paradox) zou worden genoemd, en het ligt dicht bij wat Tibor Scitovsky en later Robert Frank over consumptie en status schreven.

Hij schreef ook eerdere boeken over internationale monetaire kwesties — The Pound Sterling: A Polemic (1965), Money International (1967), en Newspaper Money: Fleet Street and the search for the affluent reader (1975, met David Gordon) — die zijn IMF- en journalistieke achtergrond weerspiegelen.

https://rudyretro.nl/index.php?slug=kredietcrisis-en-grenzen-aan-groei-1976-2008


Amazon.com: Social Limits to Growth: 9780674813656: Hirsch, Fred: Books

Wat deed Hirsch eigenlijk?

Fred Hirsch liet zien dat de markteconomie niet alleen last heeft van incidentele ontsporingen, maar grenzen en tegenstrijdigheden voortbrengt door haar eigen werking. Hij zocht het probleem dus niet in een paar ontbrekende regels, domme consumenten of slechte ondernemers, maar in de optelsom van rationele individuele keuzes. Een bruikbare kerntekst voor de blog:

Fred Hirsch deed iets wat maar weinig economen doen: hij verplaatste de kritiek van de rand naar het hart van de economie. Hij liet zien dat economische groei niet iedere vorm van schaarste kan oplossen. Naarmate mensen rijker worden, verschuift hun strijd van gewone goederen, waarvan meer geproduceerd kan worden, naar positionele goederen: de beste baan, het huis op de mooiste plek, toegang tot een rustige omgeving, een prestigieus diploma of eenvoudigweg een plaats boven anderen in de rangorde. Daar kan niet iedereen tegelijk winnen. Als iedereen harder werkt, langer studeert en meer betaalt, blijft de rangorde bestaan; alleen de kosten van de wedstrijd stijgen. Hirsch maakte daarmee zichtbaar hoe individueel verstandig gedrag collectief onzinnig kan uitpakken. Iedereen probeert vooruit te komen, maar gezamenlijk veroorzaken we diplomajacht, statuswedlopen, drukte, hogere huizenprijzen en steeds strengere toelatingseisen. Groei heft die sociale schaarste niet op, maar kan de strijd erom juist intensiveren. Daar kwam nog een tweede inzicht bij. Markten functioneren alleen dankzij vertrouwen, eerlijkheid, plichtsbesef en een zekere terughoudendheid. Maar de markt brengt die eigenschappen niet vanzelf voort. Wanneer steeds meer menselijke relaties commercieel worden gemaakt, kan zij juist het morele en sociale kapitaal opgebruiken waarvan zij afhankelijk is. Hirsch beschreef dus niet een enkele vorm van marktfalen. Hij wees op een grens binnen het mechanisme zelf: de economie kan materieel groeien terwijl kwaliteit, rust, vertrouwen en maatschappelijke tevredenheid afnemen.

Eén kleine aanscherping van mijn eigen formulering

Een prijsverhoging lost gewone schaarste ook niet letterlijk op; zij rantsoeneert de beschikbare goederen en lokt soms extra productie uit. Bij positionele goederen ontbreekt juist die ontsnappingsroute. Er kunnen meer auto’s worden gemaakt, maar niet meer plaatsen in de top tien. Er kunnen meer diploma’s worden uitgereikt, maar niet iedereen kan daardoor bovengemiddeld hoogopgeleid zijn. En een rustige woonomgeving houdt op rustig te zijn zodra iedereen er toegang toe krijgt. (Cambridge University Press & Assessment). Een bondige formulering zou daarom zijn:

Materiële schaarste kan vaak worden verminderd door meer te produceren. Sociale schaarste ontstaat juist doordat niet iedereen hetzelfde voordeel tegelijk kan bezitten.

Waarom maakte Hirsch zo’n indruk op mij

Hij gaf woorden aan een oude intuïtie. U vermoedde al dat meer productie, inkomen en keuzevrijheid niet automatisch leiden tot een betere samenleving. Hirsch gaf begrippen aan dat gevoel: sociale schaarste, positionele goederen, positionele concurrentie en commercialisering.

Hij moraliseerde niet, maar legde een mechanisme bloot. Niet: mensen moeten minder jaloers, hebzuchtig of materialistisch zijn. Wel: zelfs redelijke mensen die verstandige keuzes maken, kunnen samen in een wedloop belanden die niemand heeft gewild.

Hij dacht feitelijk in systemen. Zijn redenering kan bijna rechtstreeks als systeemlus worden getekend:

materiële welvaart
→ meer aandacht voor relatieve positie
→ meer concurrentie om schaarse plaatsen
→ meer opleiding, inkomen en consumptie nodig
→ hogere toetredingskosten en meer frustratie
→ sterkere roep om groei.

Dat is precies het terrein waarop veel van mijn thema’s samenkomen: de woningmarkt, diploma-inflatie, carrièrewedlopen, status, de top van de subtop, groei­dwang en de consument die met verschillende petten tegelijk in het systeem zit. Hirsch schreef in feite een vroeg Rudy-systeemdiagram in proza.

Zijn er meer van zulke economen?

Ja, maar het zijn er inderdaad opvallend weinig. De interessantste zijn niet noodzakelijk degenen die alleen tegen kapitalisme of groei waren. Het zijn degenen die één aanname verwijderen en vervolgens laten zien dat het hele vertrouwde resultaat kantelt.

De naaste familie van Hirsch

James Duesenberry – relatieve consumptie

Duesenberry stelde al in 1949 dat onze consumptie niet losstaat van wat anderen consumeren. Mensen vergelijken zich met hun omgeving en proberen een eenmaal bereikt consumptieniveau vast te houden. Daarmee viel hij de neoklassieke aanname aan dat consumenten onafhankelijke voorkeuren hebben. Hij is misschien wel de meest directe, maar vergeten voorloper van Hirsch. (SABE)

Thorstein Veblen – status en opzichtige verspilling

Veblen zag al in 1899 dat consumptie niet alleen dient om behoeften te bevredigen. Mensen gebruiken goederen ook om status te tonen en anderen te overtreffen. Daardoor kan juist de zichtbare nutteloosheid of buitensporigheid van een aankoop haar sociale waarde vergroten. Hirsch maakte van deze observatie later een bredere theorie van positionele schaarste. (Wikipedia)

Tibor Scitovsky – de vreugdeloze economie

Scitovsky’s The Joyless Economy verscheen toevallig eveneens in 1976. Hij maakte onderscheid tussen comfort en werkelijk plezier. Een economie kan steeds beter worden in het verwijderen van ongemak, maar mensen daardoor nog niet meer voldoening, uitdaging of levensvreugde bezorgen. Hij viel daarmee de simpele gelijkstelling van meer consumptie met meer welzijn aan. (SABE)

Richard Easterlin – de empirische neef

Easterlin liet zien dat rijkere mensen binnen een samenleving gemiddeld gelukkiger zijn, terwijl langdurige inkomensgroei niet automatisch tot een evenredige stijging van het gemiddelde geluk leidt. Over de sterkte en universaliteit van dit paradoxale resultaat bestaat discussie, maar het maakte relatieve positie en sociale vergelijking tot een serieus economisch onderwerp. (docs.iza.org)

Economen die elders het hart raakten

K. William Kapp – bedrijven produceren systematisch maatschappelijke kosten

Kapp beschouwde vervuiling, beroepsziekten, uitputting, werkloosheid en geplande veroudering niet als losse ‘externaliteiten’ die met een belastingtje konden worden gerepareerd. Private ondernemingen hebben volgens hem een structurele prikkel om kosten af te wentelen op werknemers, omwonenden, natuur en toekomstige generaties. De maatschappelijke schade is daarmee geen ongelukje naast de productie, maar kan een voorwaarde voor particuliere winst zijn. (kwilliam-kapp.de)

Hyman Minsky – stabiliteit veroorzaakt instabiliteit

Minsky draaide het conventionele crisisverhaal om. Financiële crises ontstaan niet alleen door onverwachte schokken van buitenaf. Juist langdurige rust maakt banken, bedrijven en beleggers steeds optimistischer, waardoor zij meer schulden en risico’s aangaan. Het succes van het systeem ondermijnt zo zijn eigen stabiliteit. Dat is systeemdenken in bijna zuivere vorm. (Levy Economics Institute of Bard College)

Thomas Schelling – redelijke microkeuzes, ongewenste macro-uitkomsten

Schelling liet met eenvoudige modellen zien hoe betrekkelijk milde individuele voorkeuren tot sterke segregatie en andere collectieve patronen kunnen leiden die vrijwel niemand afzonderlijk heeft gewild. Daarmee sneed hij dwars door het idee dat een maatschappelijk resultaat vanzelf wenselijk is wanneer alle afzonderlijke keuzes vrijwillig waren. (JSTOR)

Michał Kalecki – economische oplossingen stranden op macht

Kalecki stelde in 1943 dat permanente volledige werkgelegenheid technisch mogelijk kon zijn, maar politiek werd tegengewerkt. Werkgevers zouden niet alleen vrezen voor overheidsbemoeienis, maar ook voor de machtsverschuiving die ontstaat wanneer werknemers niet langer bang hoeven te zijn voor werkloosheid. Daarmee maakte hij zichtbaar dat economische problemen soms blijven bestaan omdat de oplossing de machtsverhoudingen aantast. (gesd.free.fr)

Karl Polanyi – de vrije markt is geen natuurverschijnsel

Polanyi betoogde dat een zelfregulerende markt geen spontane natuurlijke toestand is, maar een politiek en institutioneel bouwwerk. Arbeid, grond en geld moeten eerst kunstmatig als waren worden behandeld. De samenleving reageert vervolgens op de ontwrichtingen die deze vermarkting veroorzaakt. Hij plaatste de economie dus terug ín de samenleving, in plaats van de samenleving als aanhangsel van de markt te behandelen. (inctpped.org)

Akerlof en Shiller – concurrentie selecteert ook de beste manipulator

Akerlofs ‘lemons’-artikel liet al zien dat informatieasymmetrie een markt van binnenuit kan uithollen: slechte producten kunnen goede producten verdrijven. In Phishing for Phools zetten Akerlof en Robert Shiller de volgende stap. Wanneer geld kan worden verdiend door menselijke zwakheden, onwetendheid of denkfouten uit te buiten, zal concurrentie ondernemers aanzetten precies dat te doen. Manipulatie is dan niet alleen afwijkend gedrag, maar een mogelijk marktevenwicht. (NobelPrize.org)


De markt verwerkt niet alleen onze voorkeuren. Zij vormt onze voorkeuren, organiseert de onderlinge strijd, beloont bepaald gedrag en verandert ondertussen de samenleving waarop zij zelf berust. Dat is ook het wezenlijke verschil met veel oppervlakkige marktcritici. Deze economen zeggen niet alleen dat de uitkomst soms onrechtvaardig is. Zij laten zien waarom een ogenschijnlijk logisch mechanisme uit zichzelf kan uitkomen bij verspilling, manipulatie, instabiliteit, machtsbehoud of permanente ontevredenheid.


Ik denk dat ook Ronald Coase in dit rijtje hoort, wellicht ook Kahneman later, Stiglitz?


Ja. Coase, Kahneman en Stiglitz horen er alle drie bij, maar zij slaan ieder een andere steunpilaar onder het klassieke marktverhaal vandaan.

Coase: de markt bestaat niet zonder instituties

Ronald Coase hoort zelfs nadrukkelijk in de voorste rij. Zijn kernvraag was verbluffend eenvoudig: Als markten zo efficiënt zijn, waarom bestaan er dan eigenlijk bedrijven? Binnen een onderneming worden activiteiten immers niet voortdurend via prijzen en losse contracten geregeld. Een baas geeft een opdracht en een werknemer voert die uit. Coase verklaarde dat met transactiekosten: zoeken, onderhandelen, controleren, contracteren, conflicten oplossen en informatie verzamelen kosten tijd en geld. Soms is organiseren binnen een bedrijf daarom goedkoper dan alles via de markt regelen. (NobelPrize.org)

Zijn diepere betekenis is nog groter. Eigendomsrechten, contracten en markten bestaan niet in een institutioneel vacuüm. De wet bepaalt welke rechten mensen hebben en dus ook wat er überhaupt kan worden verhandeld. Coase benadrukte zelf dat mensen niet eenvoudig fysieke dingen verhandelen, maar rechten om bepaalde handelingen te verrichten. (NobelPrize.org)

Het misverstand rond het Coase-theorema

Coase wordt vaak gepresenteerd als degene die bewees dat de overheid zich nergens mee hoeft te bemoeien: geef eigendomsrechten en laat partijen onderhandelen. Maar dat was juist niet zijn belangrijkste boodschap. Het zogenaamde Coase-theorema beschrijft de denkbeeldige wereld waarin transactiekosten nul zijn. Coase gebruikte die wereld als contrast om duidelijk te maken dat in de echte wereld transactiekosten juist wél bestaan en dat daarom de inrichting van wetten, rechten, bedrijven en instituties ertoe doet. Hij noemde het theorema zelf slechts een opstap naar de analyse van een economie mét positieve transactiekosten. (NobelPrize.org). Wie de instituties en transactiekosten wegmodelleert, modelleert precies datgene weg wat bepaalt hoe de economie werkelijk functioneert. Dat past zeer goed bij Hirsch. Hirsch zegt dat de aard van het begeerde goed ertoe doet; Coase dat de institutionele organisatie van de ruil ertoe doet.


Kahneman: de economische mens bestaat niet

Daniel Kahneman hoort er eveneens bij, al was hij psycholoog en moeten we Amos Tversky eigenlijk steeds in één adem met hem noemen. Waar Coase de fictie van de kosteloze markt aantastte, tastten Kahneman en Tversky de fictie van de rationele, consistente beslisser aan. Mensen verwerken kansen, verliezen en onzekerheid niet zoals de standaardtheorie voorspelt. Afwijkingen zijn niet willekeurig, maar systematisch. Hun prospecttheorie liet onder meer zien dat verliezen psychologisch anders en doorgaans zwaarder wegen dan vergelijkbare winsten. Kahneman kreeg de economieprijs voor het integreren van psychologisch onderzoek in de economische wetenschap, in het bijzonder rond oordelen en beslissen onder onzekerheid. (NobelPrize.org). Zijn fundamentele bijdrage is:

De markt verwerkt niet simpelweg gegeven, stabiele en rationele voorkeuren, want zulke voorkeuren bestaan dikwijls helemaal niet in de vorm die het model veronderstelt.

Daar zit wel een onderscheid met Hirsch. Kahneman onderzoekt vooral wat er binnen het hoofd van het individu misgaat. Hirsch kijkt sterker naar wat er tussen mensen en binnen de maatschappelijke ordening gebeurt: vergelijking, rangorde en positionele wedlopen. Pas bij Akerlof en Shiller komen beide lijnen werkelijk bij elkaar:

  1. mensen hebben voorspelbare cognitieve en emotionele zwakheden;
  2. bedrijven kunnen daar geld aan verdienen;
  3. concurrentie beloont bedrijven die daar het effectiefst gebruik van maken;
  4. manipulatie wordt zo een structureel marktresultaat.

Kahneman levert dus de psychologie van de phool; Akerlof en Shiller beschrijven de economie van de phishing.


Stiglitz: informatiegebrek is niet een klein lek, maar verandert het hele evenwicht

Joseph Stiglitz hoort er zonder enige twijfel bij. Hij ligt inhoudelijk dicht bij Akerlof, maar zijn bijdrage is breder dan alleen het idee dat de ene partij meer weet dan de andere. Akerlofs markt voor tweedehandsauto’s laat zien dat verborgen kwaliteit ertoe kan leiden dat slechte producten goede verdrijven en een markt zelfs kan instorten. Stiglitz onderzocht vervolgens hoe markten zich gedragen wanneer informatie ongelijk verdeeld is en partijen contracten gebruiken om informatie boven tafel te krijgen. Verzekeraars bieden bijvoorbeeld verschillende combinaties van premie en eigen risico aan, zodat klanten zichzelf indirect in risicogroepen verdelen. (NobelPrize.org). De verstrekkende uitkomst is dat markten met onvolledige informatie niet noodzakelijk netjes worden geruimd door een veranderende prijs. Er kunnen duurzame situaties ontstaan met bijvoorbeeld:

  • werkloosheid terwijl mensen bereid zijn te werken;
  • kredietrantsoenering terwijl ondernemers bereid zijn meer rente te betalen;
  • verzekeringsmarkten die bepaalde groepen uitsluiten;
  • prijzen die niet alle relevante informatie bevatten.

Stiglitz liet zien dat zulke verschijnselen vanuit informatieproblemen kunnen voortkomen en niet alleen tijdelijke afwijkingen van een verder perfect werkende markt zijn. (NobelPrize.org) Zijn kernzin zou kunnen zijn:

Als informatie onvolledig en ongelijk verdeeld is—anders gezegd: vrijwel altijd—kan de markt structureel tot een ander resultaat komen dan het ideale marktmodel voorspelt.

Stiglitz is daarmee misschien zelfs een zuiverder voorbeeld van deze categorie dan Kahneman. Hij laat binnen de economische theorie zelf zien dat de klassieke conclusies alleen gelden onder uitzonderlijk strenge voorwaarden.


Vier verschillende aanvallen op het hart

Ik zou de vier voorlopig zo ordenen:

EconoomWeggemodelleerde werkelijkheidFundamentele gevolgtrekking
HirschPositie, vergelijking en sociale schaarsteGroei kan de wedloop intensiveren zonder dat er meer winnaars komen
CoaseTransactiekosten, rechten en institutiesEen markt kan niet los worden gezien van haar juridische en organisatorische inrichting
Kahneman & TverskyPsychologie, framing en begrensde rationaliteitMensen hebben geen stabiele voorkeurenmachine in hun hoofd
Akerlof & StiglitzOngelijke en onvolledige informatieMarktprijzen lossen informatieproblemen niet vanzelf op en kunnen falende evenwichten voortbrengen

Ze zeggen dus niet eenvoudig: de markt werkt soms niet goed. Ze zeggen: Wat wij “de markt” noemen, werkt alleen mooi in een model waarin precies de lastigste delen van de werkelijkheid—positie, instituties, psychologie en informatie—zijn verwijderd.

Wie ontbreekt dan nog?

Herbert Simon hoort vrijwel zeker vóór Kahneman in dit rijtje. Hij introduceerde bounded rationality en satisficing: mensen optimaliseren niet eindeloos, maar nemen onder beperkte tijd, kennis en rekenkracht genoegen met een oplossing die goed genoeg is. Hij vormt de verbinding tussen Coase, organisaties en de latere gedragseconomie.

Ook Elinor Ostrom past er uitstekend bij. Zij doorbrak de simpele keuze tussen markt en staat. Gemeenschappen kunnen gemeenschappelijke hulpbronnen onder bepaalde omstandigheden zelf beheren met lokaal ontwikkelde regels, toezicht en sancties. Daarmee liet zij zien dat de economie veel meer institutionele vormen kent dan privatiseren of centraal reguleren.

Mijn aangescherpte kerncanon zou daarom worden:

Veblen – Simon – Coase – Hirsch – Kahneman/Tversky – Akerlof – Stiglitz – Minsky – Ostrom.

Niet allemaal onbekend, maar wel allemaal economen en denkers die op een cruciaal moment zeiden: Wacht eens even. Jullie prachtige conclusie ontstaat vooral doordat jullie vooraf hebben aangenomen dat het belangrijkste probleem niet bestaat.

Previous Post Next Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*