840 Den Bosch heeft toch ook al dat Theater aan de Parade?

Van Theater aan de Parade naar Huis73: wanneer wordt culturele meerambitie vanzelfsprekend?

Je kunt er in Den Bosch nauwelijks omheen. Wie de recente verbouwing van Huis73 bespreekt, komt onvermijdelijk ook uit bij Theater aan de Parade. Twee markante publieke gebouwen, twee ambitieuze projecten en in beide gevallen een bedrag dat boven op een eenvoudigere of eerder voorziene uitvoering is gekomen. Niet omdat een bibliotheek of theater op zichzelf ter discussie stond, maar omdat we méér wilden: mooier, ruimer, aantrekkelijker, luxer, veelzijdiger.

De vergelijking gaat natuurlijk niet helemaal op. Bij Theater aan de Parade was een flink deel van die meerprijs ongepland. De bouw liep veel duurder uit dan eerder voorzien en ook de exploitatie bleek na opening meer geld te vragen. Vandaar de vele negatieve publiciteit en politieke discussies. Huis73 bleef daarentegen keurig binnen de uiteindelijk gemaakte budgetafspraken. Dat is een wezenlijk verschil en het zou onzin zijn beide projecten op dat punt over één kam te scheren. Vanuit mijn eerdere vraag naar de meerinvestering is er wel degelijk een overeenkomst. Niet: wat kost een theater of bibliotheek in totaal? Wel: welk bedrag hebben we boven op een redelijk basisalternatief uitgegeven en wat krijgen we precies voor dat extra geld?

Twee Bossche meerinvesteringen

Bij Huis73 lag ooit een sobere renovatievariant van ongeveer €15,7 miljoen op tafel. De uiteindelijk gekozen variant kwam in de orde van €31,7 miljoen. Niet het hele verschil kan één-op-één als luxe worden bestempeld, maar eerder kwamen we uit op grofweg €13 miljoen additionele ambitie. Tel daarbij een redelijke inschatting van de extra exploitatie gedurende dertig jaar op en die keuze vertegenwoordigt in onze bierviltjesberekening ongeveer €1,05 miljoen per jaar.

Bij Theater aan de Parade lag een eerdere raming rond €62,7 miljoen, terwijl de uiteindelijke bouwkosten in de orde van €83 miljoen kwamen. Annualiseer alleen dat verschil en tel de later toegevoegde structurele exploitatiesubsidie mee, dan kom je in dezelfde orde van grootte op ongeveer €1,5 miljoen extra per jaar.

Bossche casusExtra jaarlijkse orde van groottePer Bosschenaar
Huis73 – ambitie boven sobere renovatie± €1,05 mln± €6,50
Theater aan de Parade – meerkosten/extra exploitatie± €1,5 mln± €9,50
Samen± €2,55 mln± €16

Per inwoner klinkt het allemaal bijna komisch klein. Zes euro hier, negen euro daar. Dat is tegelijkertijd precies waarom de meerkostenbenadering interessant is. Niemand besluit ooit expliciet om structureel tientallen euro’s per inwoner extra aan culturele ambitie uit te geven. Er worden afzonderlijke besluiten genomen die stuk voor stuk heel redelijk klinken. De optelsom ontstaat vanzelf.

Maar lang niet iedereen gebruikt die voorzieningen

De tweede overeenkomst is minder comfortabel. Iedereen betaalt mee aan deze publieke voorzieningen, maar lang niet iedereen maakt er gebruik van. Bij zowel theater, musea als bibliotheken is het gebruik bovendien sociaal niet willekeurig verdeeld. Theoretisch opgeleiden zijn onder de gebruikers oververtegenwoordigd.

Ik gebruik daarvoor inmiddels liever het begrip geldshift in profijt dan een simpele overdracht van arm naar rijk. Hogeropgeleiden verdienen gemiddeld meer en betalen daardoor zelf ook meer belasting. De belastingkant is dus ingewikkelder dan “de arme bouwvakker betaalt het theaterkaartje van de rijke advocaat”. Aan de andere kant van de begroting gebeurt wel iets aantoonbaars: algemeen belastinggeld wordt omgezet in voorzieningen waarvan het feitelijke gebruik relatief sterk bij theoretisch opgeleiden terechtkomt. De financieringsstroom is breed, de gebruiksstroom is selectiever.

Bij Huis73 wordt die selectie nog specifieker doordat een belangrijk onderdeel van de meerinvestering bestaat uit extra studiecapaciteit. Er zijn nu ongeveer 200 studieplaatsen waar dat er eerder circa 90 waren. Die plekken zijn geen abstracte vierkante meters. Ze worden uren achtereen bezet door vooral scholieren en studenten. Iemand die twintig minuten binnenloopt om een boek terug te brengen en iemand die zes uur met laptop, koffie, wifi, verwarming en verlichting aan een tafel zit, verschijnen in het bezoekerscijfer allebei als één bezoek. Economisch zijn dat totaal verschillende vormen van gebruik.

“Maar zo werkt kunst en cultuur toch altijd?”

Ja, hoor ik de tegenwerping al. Kunst en cultuur kosten nu eenmaal geld. Musea, theaters, bibliotheken, concertzalen: vrijwel overal legt de gemeenschap geld bij en vrijwel overal zijn theoretisch opgeleiden bovengemiddeld vertegenwoordigd. Wat is daar nu eigenlijk nieuw aan? Daarom heb ik de museumsector er als controlegeval bij gehaald.

Ook musea ontvangen veel publiek geld en ook museumbezoek helt sterk naar theoretisch opgeleiden. Hetzelfde geldt in verschillende mate voor theater, literaire activiteiten en andere formele cultuur. In zoverre is Huis73 dus helemaal geen vreemde uitzondering. Wie culturele voorzieningen subsidieert, accepteert bijna automatisch een zekere scheefheid in het feitelijke gebruik. Er zijn wel een paar verschillen die Huis73 binnen die categorie bijzonder maken.

Eerste verschil: basisvoorziening en luxevariant worden te gemakkelijk één geheel

De eerste nuance is het onderscheid tussen de verantwoorde basisvoorziening en de extra ambitie. Een stad hoeft niet iedere keer opnieuw te bewijzen dat zij een bibliotheek, theater of museum mag hebben. Die basis kun je maatschappelijk gewoon wenselijk vinden. Daaruit volgt niet dat iedere volgende miljoen hetzelfde maatschappelijk rendement heeft. Een bibliotheek die moet worden gerenoveerd is iets anders dan de keuze om haar vervolgens uit te bouwen tot cultuurhuis, ontmoetingscentrum, makerspace, huiskamer en grootschalige studielocatie. Een functioneel theater is iets anders dan iedere extra architectonische of programmatische ambitie.

Daar zit mijn voornaamste bezwaar tegen de discussie rond dit soort projecten. Over de totale voorziening bestaan dikke beleidsnota’s vol argumenten, maar over de marginale stap van goed genoeg naar nog mooier wordt veel minder scherp gesproken. Juist daar zitten de miljoenen waarover nog werkelijk iets te kiezen viel.

Tweede verschil: meestal betaalt de gebruiker óók zelf

De tweede nuance is dat subsidie bij cultuur meestal niet betekent dat het product vervolgens gratis is. Wie naar een museum gaat koopt een kaartje of een Museumkaart. Wie naar Theater aan de Parade gaat betaalt voor zijn stoel. Subsidie dekt een deel van de werkelijke kosten, maar daarnaast bestaat een zichtbare eigen bijdrage van degene die het private genoegen consumeert.

De Museumkaart is daarin een mooi voorbeeld. De gebruiker betaalt zelf een jaarlijks bedrag en daarachter staat een publiek gefinancierde museumsector. De verhouding kun je bediscussiëren, maar beide geldstromen zijn zichtbaar: een bijdrage van de gemeenschap én een bijdrage van de gebruiker. Ook Cineville is interessant omdat daar een cultureel abonnementsmodel bestaat dat zonder een vergelijkbare algemene individuele subsidie aan iedere filmbezoeker kan functioneren. Niet iedere culturele activiteit hoeft dus automatisch dezelfde financieringsvorm te hebben.

Bij de extra studiecapaciteit van Huis73 ontbreekt die directe gebruikersbijdrage volledig. Een student kan honderd, driehonderd of vijfhonderd uur per jaar een verwarmde, gekoelde en ingerichte werkplek gebruiken zonder daarvoor een ticket, abonnement of huurprijs te betalen. Vol is vol. Dat betekent nog niet dat er entree geheven moet worden. Het maakt Huis73 wel anders dan het museum of theater waarmee het vaak achteloos in dezelfde culturele categorie wordt geplaatst.

Derde verschil: meestal subsidiëren we niet bewust een zo specifieke gebruiker

Bij een museum, schouwburg of basisbibliotheek wordt de voorziening in principe algemeen aangeboden. Dat de praktijk vervolgens laat zien dat theoretisch opgeleiden vaker komen, is een uitkomst van gedrag, belangstelling, opleiding en leefstijl. De overheid bouwt een museum niet expliciet met de opdracht: graag vooral academici naar binnen.

Bij de extra studieplekken van Huis73 wordt de doelgroep een stuk concreter. Die tafels zijn gemaakt om aan te studeren en te werken. De mensen die er massaal gebruik van maken zijn scholieren en studenten. Daarmee financiert de gemeente niet alleen algemene culturele infrastructuur, maar ook een specifieke vorm van gratis studievoorziening voor een groep waarvoor andere publiek gefinancierde instituties – scholen, mbo’s en hogescholen – eveneens bestaan. De vraag is niet of studenten daar mogen zitten, maar waarom juist deze gemeentelijke culturele euro voor die functie nodig is.

Wanneer gebruik zelf als bewijs gaat gelden

De toegenomen drukte van Huis73 wordt gemakkelijk als bewijs van succes gebruikt. Mensen zitten er graag, studenten zijn enthousiast, de studieplaatsen zijn vol en het gebouw trekt veel bezoekers. Dat bewijst zeker dat er vraag is naar een aantrekkelijk gratis product. Het bewijst nog niet dat de maatschappelijke meeropbrengst groter is dan de maatschappelijke meerkosten.

Zet honderd gratis comfortabele werkplekken met wifi, verwarming en airco op een aantrekkelijke plek in de stad en de kans is groot dat ze gebruikt worden. De bezettingsgraad vertelt dan iets over de aantrekkelijkheid van gratis capaciteit, maar nog weinig over de vraag of juist de gemeente die capaciteit had moeten financieren.

Huis73 heeft daarbij nog een eigenschap die minder makkelijk in euro’s is te vangen. Het is fysiek zichtbaar. Het staat op een markante plek midden in de stad. Je kunt er een wethouder, delegatie of journalist doorheen leiden. Er zijn mooie foto’s van te maken. Het gebouw kan prijzen winnen en in vakbladen worden besproken. Tilburg heeft de LocHal, Groningen het Forum, Utrecht Neude. De moderne bibliotheek is inmiddels ook een visitekaartje van stedelijke ambitie.

Ik kan niet bewijzen hoeveel dat prestige in de Bossche besluitvorming heeft meegespeeld. Het mechanisme is wel voorstelbaar. Een directeur van een sympathieke culturele organisatie met een aansprekend plan en goede toegang tot bestuur en politiek doet precies wat van hem of haar verwacht mag worden: kansen zien, coalities bouwen en geld proberen te krijgen. Het gemeentebestuur kan vervolgens een zichtbaar resultaat presenteren. Bezoekers zijn blij, de krant maakt foto’s en iedereen die het product gebruikt ziet de winst. De inwoners die de extra voorziening niet gebruiken zijn veel minder zichtbaar. Zij betalen ieder een klein bedrag mee en hebben zelden aanleiding daartegen in actie te komen.

Even recappen

  1. Kunst en cultuur worden bijna altijd deels collectief gefinancierd en het gebruik ervan ligt relatief sterk bij theoretisch opgeleiden. Daardoor ontstaat een scheve verdeling van het profijt van publieke uitgaven.
  2. Dat hoeft niet verkeerd te zijn. Collectieve voorzieningen hoeven niet door iedere belastingbetaler even intensief te worden gebruikt.
  3. Wel moet onderscheid worden gemaakt tussen de noodzakelijke basisvoorziening en de luxere of ambitieuzere variant. Juist over de meerinvestering moet afzonderlijk worden verantwoord wat zij toevoegt.
  4. Bij veel cultuurvoorzieningen betaalt de gebruiker daarnaast zelf. Museumkaart, los ticket en theaterkaartje maken private consumptie niet gratis.
  5. Meestal ontstaat sociale selectie als uitkomst van gebruik. Bij de extra studiecapaciteit van Huis73 is sprake van een veel gerichtere functie voor scholieren en studenten.
  6. Hoge bezetting bewijst vraag, geen maatschappelijke rentabiliteit. Gratis aantrekkelijke capaciteit zal vrijwel vanzelf gebruikt worden.

Huis73 als afwijkend geval

Binnen die hele rits culturele voorzieningen blijft Huis73 daardoor voor mij de lastigste casus. Voor de extra investering van meer dan tien miljoen euro boven een sobere renovatie heb ik nog steeds geen overtuigende afzonderlijke maatschappelijke onderbouwing gevonden. Dat verwijt richt zich niet eens primair op Huis73. Een culturele instelling mag ambitieuze plannen maken en daarvoor lobbyen. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de allocatie van publiek geld ligt bij gemeenteraad en bestuur.

De basisbibliotheek had boeken, uitleen, leesbevordering, personeel en een bibliotheekpas. De meerinvestering heeft de nadruk juist verder verschoven van boek en uitleen naar verblijf, ontmoeting, studie, maken en cultuur. Dat zijn allemaal sympathieke functies, maar sympathiek is nog geen kosten-batenanalyse.

De studieplekken vormen het scherpste voorbeeld. Ze zijn gratis, worden intensief gebruikt, richten zich feitelijk sterk op een herkenbare groep en concurreren of overlappen gedeeltelijk met voorzieningen waarvoor onderwijsinstellingen al worden bekostigd. Tegelijk wordt juist de grote vraag naar die gratis capaciteit als bewijs van het succes van de investering opgevoerd.

Een andere Bossche instelling als vergelijking

In Den Bosch bestaat nog een organisatie die eveneens talen, leren, ontwikkeling, cultuur en praktische vaardigheden aanbiedt: de Volksuniversiteit. Ook daar zijn de huidige gebruikers relatief vaak ouder en theoretisch opgeleid. Ook daar zou dus hetzelfde kritische verhaal gehouden kunnen worden over goedkope culturele consumptie door een relatief kansrijke groep. Het verschil zit in de financiering.

De Volksuniversiteit ontvangt geen structurele subsidie. De cursist betaalt een ticket in de vorm van cursusgeld. Docenten werken tegen een relatief bescheiden vergoeding. Het bestuur werkt vrijwillig. De organisatie probeert zoveel mogelijk tegen kostprijs te werken en legt desondanks inmiddels structureel geld toe op haar aanbod. Bij ongewijzigd beleid krimpt bovendien de traditionele doelgroep langzaam weg.

De Volksuniversiteit bezit geen imposant publiek gebouw op een markante Bossche locatie. Geen architectuurprijs, geen grote hal, geen rijen gratis studieplekken. Een aanzienlijk deel van de lessen wordt paradoxaal genoeg juist gegeven in Huis73, waarvoor de VU dienstverlening en ruimte inkoopt.

Waarom vindt publiek geld relatief gemakkelijk zijn weg naar de meerambitie van de ene instelling, terwijl een andere instelling met sterk overlappende woorden – leren, ontwikkeling, cultuur, vaardigheden – vrijwel volledig aan cursusgeld, vrijwilligers en eigen middelen wordt overgelaten?

Daar kunnen inhoudelijke antwoorden op bestaan. Wettelijke taken spelen een rol. Institutionele geschiedenis eveneens. Misschien levert de bibliotheek aantoonbaar veel grotere externe effecten op. Misschien bereikt de Volksuniversiteit juist te veel mensen die het prima zelf kunnen betalen. Maar voordat zo’n antwoord gegeven is, is “zo doen moderne bibliotheken dat tegenwoordig nu eenmaal” nogal onbevredigend.

In een volgende aflevering leg ik daarom Huis73 en de Volksuniversiteit preciezer naast elkaar. Niet de totale miljoenenbegroting van een professionele bibliotheek tegenover een kleine vrijwilligersorganisatie – dat zou appels met peren vergelijken – maar opnieuw de marginale vraag: wat kost de extra maatschappelijke ambitie van beide modellen, wie bereikt zij en welke activiteit krijgt kennelijk vanzelfsprekend collectieve financiering?

Previous Post Next Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*