839 Ja maar …. (over die luxe bieb)

Nadat ik lekker los mocht gaan (van mezelf) over die luxe bieb die geen bieb mag heten (terecht, gaat niet om boeken), wil ik de bezwaarmakers voor zijn. Nou ja, het is ook naar mezelf de spiegel voorhouden. Het is een soort van beroepsdeformatie en het kan als vervelend worden ervaren, ik word er zelf ook niet altijd gelukkig van, het kan in de weg zitten van genot. Toch ben ik schatplichtig aan mijn ouders en opvoeding om door te vragen over zo’n genomen besluit die aan een groot openbaar gebouw vooraf zou moeten gaan.

Ik heb met mezelf en ai gebrainstormd over tegenwerpingen en er een antwoord bij gezet waar ik mee kan leven. Ja zeker, sommige tegenwerpingen snijden zeker hout. Het is nooit zwart-wit. Geen discussie en argumenten, dat is de kern van de zaak. Met gezalfde en fijn in het gehoor liggende uitspraken (iedereen is welkom, zonder cultuur zijn we barbaren, lezen is goed voor iedereen, kunst maakt het leven mooi, alles van waarde is zonder prijs ….) staan me bij voorbaat tegen, dat is het meer.


Joh, azijnpisser, geniet er gewoon van

De bezwaren tegen mijn bibliotheekverhaal – en mijn repliek voordat de ingezonden brieven binnen zijn

Na mijn verhaal over Huis73 kan ik de reacties ongeveer voorspellen. Voor een deel terecht trouwens. Dus laten we de brievenschrijvers voor zijn. Niet met een rij stropoppen die ik gemakkelijk omver kan duwen, maar met bezwaren die ik zelf ook zou maken als iemand een prachtig openbaar gebouw terugbrengt tot gebruiksuren, discontovoeten en kosten per verwarmde stoel.

1. “Joh, azijnpisser. Het is prachtig. Geniet er gewoon van.”

Ik: Doe ik ook. Dat is juist het aardige van deze casus: ik vind Huis73 mooi. Maar schoonheid ontslaat een publieke investering niet van vragen over kosten en verdeling. Ik kan een Tesla ook prachtig vinden en tegelijk willen weten waarom anderen eraan meebetalen. Misschien moeten we juist bij zaken waarvan we enthousiast worden extra opletten, omdat onze kritische reflex daar het snelst verdwijnt.

2. “Daar heb je weer zo’n econoom. Altijd sommetjes. Zo maak je alles wat waardevol is kapot.”

Ik: Ik probeer juist te voorkomen dat alles wat moeilijk in geld is uit te drukken daardoor automatisch oneindig veel waard wordt. “Ontmoeting”, “inspiratie” en “verbinding” hoeven niet voor €3,17 per stuk in Excel. Maar zodra we er tientallen miljoenen publiek geld voor uitgeven mag iemand vragen hoeveel ervan daadwerkelijk ontstaat, voor wie en dankzij welk deel van de investering. Niet kunnen meten is iets anders dan niet hoeven kiezen.

3. “Cultuur kost nu eenmaal geld. Als je zo gaat rekenen kun je niets meer doen.”

Ik: Natuurlijk kost cultuur geld. Onderwijs, zorg, wegen, defensie en parken ook. Dat is geen argument vóór een specifieke uitgave maar het begin van de keuze. De vraag is waarom circa €13 miljoen extra naar juist deze vorm van cultuur en verblijf gaat en niet naar schoolbibliotheken, wijkvoorzieningen, muziekonderwijs, sport of lagere lasten. Geld dat naar A gaat kan niet meer naar B.

4. “Maar wat voor volk zijn we als alles alleen maar geld mag kosten wanneer we er zelf gebruik van maken?”

Ik: Dit vind ik een terecht bezwaar. Een samenleving waarin iedereen alleen betaalt voor zijn eigen consumptie wordt tamelijk treurig. Ik betaal zonder problemen mee aan speeltuinen die ik niet gebruik of aan voorzieningen voor mensen die ik niet ken. Maar juist daarom moeten we onderscheid maken tussen niet zelf gebruiken maar wel maatschappelijk nuttig en niet zelf gebruiken terwijl een andere groep er vooral privévoordeel van heeft. Mijn vraag is niet of solidariteit mag bestaan, maar welke overdracht we solidariteit noemen.

5. “Sommige dingen zijn nu eenmaal prijsloos.”

Ik: Dan ontstaat onmiddellijk een praktisch probleem. Als het prijsloos is, waarom bouwen we dan voor €32 miljoen en niet voor €60 miljoen? Waarom 200 studieplekken en geen 500? In werkelijkheid trekken bestuurders voortdurend financiële grenzen. “Prijsloos” betekent kennelijk niet dat kosten irrelevant zijn. Mijn bierviltje maakt alleen zichtbaar waar ongeveer die rekening terechtkomt.

6. “Iedereen kan toch naar Huis73? Dan is het per definitie een voorziening voor iedereen.”

Ik: Nee. Iedereen mag er gebruik van maken. Dat is iets anders. Een bouwvakker die er nooit komt heeft formeel dezelfde toegang als een student die er 500 uur per jaar zit. Economisch ontvangen ze niet hetzelfde profijt. Daarom ben ik uiteindelijk ook gestopt met bezoekers tellen. Een bezoek van twintig minuten en een studiesessie van zes uur zijn bij het toegangspoortje gelijk, maar niet bij het gebruik van schaarse ruimte.

7. “Studenten zijn toch helemaal niet rijk? Die moeten ergens kunnen studeren.”

Ik: Zeker, maar huidig inkomen zegt hier weinig. Studenten investeren juist in een opleiding waarmee hun toekomstige arbeidsmarkt- en inkomenspositie gemiddeld gunstig is. Bovendien worden hogescholen en universiteiten al publiek gefinancierd om onderwijs en studievoorzieningen aan te bieden. Dan is de vraag gerechtvaardigd waarom een gemeente via haar cultuurbudget nog eens gratis capaciteit toevoegt. Misschien is dat verstandig, maar maak dan duidelijk dat dit mede een subsidie op studieruimte is.

8. “Maar studenten zijn juist goed voor Den Bosch. Ze maken de stad levendig.”

Ik: Mogelijk. Dan hebben we een ander argument: studentenbinding, vestigingsklimaat, levendigheid en misschien economische spin-off. Prima, maar noem dat dan zo. Wat mij interesseert is hoe gemakkelijk de rechtvaardiging kan verschuiven. Begonnen we bij leesbevordering, dan blijken de studieplekken ineens belangrijk voor het vestigingsklimaat. Dat kan allebei waar zijn, maar de maatschappelijke baten moeten wel bij de juiste investering worden gelegd.

9. “Je doet alsof die extra 1.000 vierkante meter waardeloos is.”

Ik: Helemaal niet. Royale ruimte, licht, rust en een aantrekkelijk monument hebben waarde. Maar die waarde is veel moeilijker aan feitelijk gebruik te koppelen. Een bezoeker loopt misschien een kwartier door zo’n prachtige ruimte zonder er bewust extra vierkante meters van te consumeren. Een studieplek wordt daarentegen expliciet gekozen en vervolgens zes uur bezet gehouden. Daarom weegt de studie-/werkfunctie in mijn analyse veel zwaarder dan simpelweg het aantal extra vierkante meters.

10. “Die 75 procent hogeropgeleiden verzin je gewoon.”

Ik: Ik verzin geen gemeten cijfer; ik kies een scenario. Hogeropgeleiden bezoeken bibliotheken aantoonbaar veel vaker. Den Bosch kent een grote hbo-populatie en het nieuwe gebouw biedt juist een functie waarbij mensen uren blijven zitten. Voor 75 procent van alle bezoekers heb ik geen bewijs. Voor ongeveer 75 procent van de intensieve vrijwillige gebruiksuren vind ik het een verdedigbare werkhypothese. En het prettige is: wie denkt dat ik ernaast zit kan het in twee weken meten.

11. “Maar één miljoen per jaar is toch helemaal niet zoveel op een gemeentebegroting?”

Ik: Dat vind ik een gevaarlijke redenering. Grote begrotingen bestaan uit heel veel uitgaven die afzonderlijk “wel meevallen”. Bovendien gaat het niet om één jaar maar om tientallen jaren. Als een voorziening ongeveer een miljoen per jaar extra kost, lijkt mij dat juist een prima bedrag om even bij stil te staan.

12. “Een bibliotheek is een van de weinige plekken waar je kunt zijn zonder iets te kopen. Dat is toch enorm waardevol?”

Ik: Dit is een van de beste argumenten vóór Huis73. Een goede niet-commerciële binnenruimte is bijzonder. Alleen volgt daar nog niet uit dat iedere vorm of ieder kostenniveau daarvan optimaal is. Wie gebruikt die gratis huiskamer vooral, hoe lang en waarvoor? Als zij in de praktijk sterk functioneert als gratis kantoor en studiegebouw voor studenten en kenniswerkers, is dat nog steeds nuttig, maar wel een specifieker product dan “een huiskamer voor alle Bosschenaren”.

13. “En de laaggeletterde, de eenzame oudere en de migrant die Nederlands leert dan?”

Ik: Die functies kunnen zeer waardevol zijn. Maar ze mogen geen joker worden waarmee de hele meerinvestering wordt gelegitimeerd. De juiste vraag is hoeveel extra taalvaardigheid, digitale inclusie of minder eenzaamheid ontstaat dankzij juist het ambitieuze gebouw ten opzichte van een sobere gerenoveerde bibliotheek. Als dezelfde taalhulp ook in het goedkopere gebouw had kunnen plaatsvinden, mag je de volledige baat niet aan die extra €13 miljoen toeschrijven.

14. “Lezen is toch bewezen goed? Waar hebben we het dan nog over?”

Ik: Over de differentie. Ook de sobere bibliotheek had boeken, personeel en leesbevordering. Niet de maatschappelijke waarde van lezen staat ter discussie, maar hoeveel extra lezen ontstaat doordat je van ongeveer 90 naar 200 studieplekken gaat, meer publieke ruimte maakt en het gebouw tot cultureel verblijfscentrum omvormt. De maatschappelijke waarde van de bestaande bibliotheekfunctie mag niet nogmaals als opbrengst van de meerinvestering worden geboekt.

15. “Cultuur en ontmoeting kun je helemaal niet causaal bewijzen. Dan wint bij jou altijd de accountant.”

Ik: Nee. Soms is het eerlijke politieke antwoord gewoon: wij vinden een prachtig openbaar cultuurgebouw belangrijk en hebben daar gemeenschapsgeld voor over. Daar kan ik mee leven. Ik vind dat zelfs zuiverder dan achteraf iedere extra vierkante meter rechtvaardigen met moeilijk aantoonbare effecten op inclusie, cohesie, welzijn en kansengelijkheid. Onmeetbaarheid is geen bewijs van waardeloosheid, maar evenmin bewijs dat de baat groter is dan de kosten.

16. “Als je zo redeneert kun je hetzelfde verhaal houden over musea, Museumkaart, Cineville en bibliotheekpassen.”

Ik: Precies, en daarom zijn vergelijkingen interessant. Maar ze leveren niet automatisch dezelfde conclusie op. Bij Cineville betaalt de intensieve gebruiker zelf een abonnement. Bij de Museumkaart eveneens, al spelen museale subsidies op de achtergrond. Een bibliotheekpas kent weer een andere verhouding tussen eigen bijdrage en publieke financiering. En dan is er de Volksuniversiteit, waar cursussen, persoonlijke ontwikkeling, taal en cultuur óók centraal staan maar de gebruiker veel directer voor zijn eigen consumptie betaalt. Dat laatste vind ik zo’n interessante vergelijking dat ik hem apart wil behandelen. Voor nu is vooral belangrijk dat “cultuur” geen uniforme financieringsvorm heeft. We hebben kennelijk keuzes gemaakt over welke culturele consumptie de gebruiker zelf betaalt en welke via de algemene middelen wordt aangeboden.

17. “Dus eigenlijk ben je gewoon tegen subsidie.”

Ik: Nee. Subsidie is logisch wanneer er sterke externe baten zijn, wanneer we bewust willen herverdelen of wanneer een voorziening anders maatschappelijk ongewenst verdwijnt. Maar vervolgens moet je wel blijven vragen aan wie de subsidie ten goede komt en welk gedrag ermee wordt uitgelokt. Juist omdat subsidie nuttig kan zijn, moet je slechte subsidie van goede kunnen onderscheiden.

18. “Wat is er mis mee dat hogeropgeleiden meer gebruikmaken? Ze betalen gemiddeld toch ook meer belasting?”

Ik: Dit is het bezwaar waardoor mijn oorspronkelijke verhaal het meest veranderde. Daarom spreek ik inmiddels minder over een simpele overdracht van arm naar rijk. Het interessante mechanisme is waarschijnlijk sterker cultureel. Welke leefstijl, voorkeuren en vormen van vrijetijdsbesteding krijgen een publieke infrastructuur? De goedverdienende installateur kan veel belasting betalen en toch nooit een lezing, atelier of openbare studieruimte gebruiken. De docent verdient misschien minder maar gebruikt meerdere culturele voorzieningen intensief. Inkomen alleen mist dat.

19. “Maar misschien moeten praktisch opgeleiden gewoon vaker naar de bibliotheek. Dan is extra investeren toch juist sociaal?”

Ik: Dat kan, maar dan maak je een interessante normatieve sprong: van “deze voorziening wordt ongelijk gebruikt” naar “de groep die weinig komt zou haar gedrag moeten veranderen”. Misschien ligt het probleem niet bij de niet-gebruiker maar bij het product. Als praktisch opgeleiden weinig interesse hebben in literaire avonden, makerspaces of een culturele huiskamer in de binnenstad, kun je ook vragen of je hen met andere voorzieningen beter bereikt. Meer van hetzelfde is niet automatisch inclusiever.

20. “Die diplomademocratie klinkt wel heel verdacht. Alsof hogeropgeleiden bewust iets voor zichzelf bouwen.”

Ik: Dat bedoel ik juist niet. Het interessante mechanisme werkt zonder kwade bedoelingen. Als politiek, beleid, bestuur en cultuur relatief veel theoretisch opgeleiden bevatten, worden waarden als levenslang leren, cultuurparticipatie, lezen, creativiteit en ontmoeting gemakkelijker als universeel maatschappelijk belang ervaren. Vervolgens bouwt men een voorziening rond die waarden en blijkt ongeveer dezelfde sociale groep er veel gebruik van te maken. Dat is geen complot maar een mogelijke blinde vlek.

21. “En die prestigewedloop tussen gemeenten? Dat is toch vooral jouw fantasie?”

Ik: Ik beweer niet dat wethouders letterlijk zeggen: Tilburg heeft de LocHal, dus wij moeten ook. Het systeem werkt subtieler. LocHal, Forum Groningen, Neude en Huis73 krijgen architectuurprijzen, vakpubliciteit, bezoekers, excursies en internationale aandacht. Daarmee verschuift de professionele norm voor wat een moderne bibliotheek hoort te zijn. Wat gisteren uitzonderlijk was wordt morgen een benchmark. Dan krijgt een gewone goed functionerende bibliotheek vanzelf iets armoedigs. Dat is precies hoe status- en imitatie-effecten werken.

22. “Maar als het gebouw zo druk wordt gebruikt, bewijst dat toch dat de investering succesvol is?”

Ik: Het bewijst in ieder geval dat mensen een aantrekkelijk gratis product gebruiken. Dat is iets anders dan bewijzen dat de maatschappelijke baten groter zijn dan de maatschappelijke kosten. Een gratis restaurant zou waarschijnlijk ook druk worden. De relevante vraag is hoeveel van het gebruik additionele maatschappelijke waarde vertegenwoordigt en hoeveel vooral verplaatste consumptie is: studeren dat anders thuis, op Avans, HAS of elders had plaatsgevonden.

23. “Wat wil je dan concreet? Studenten laten betalen? Een toegangspoort?”

Ik: Helemaal niet noodzakelijk. Analyse en beleidsmaatregel zijn twee verschillende dingen. Misschien is gratis studiecapaciteit na alles bekeken precies wat Den Bosch wil. Maar dan zou ik het ook zo benoemen. Dan kunnen we vervolgens vragen of Avans en HAS eraan moeten bijdragen, of studievoorzieningen elders goedkoper zijn, of juist uitbreiding gewenst is. Transparantie over wie profiteert hoeft niet automatisch tot een kassa bij de ingang te leiden.

24. “Dus na al die sommen vind je Huis73 nog steeds mooi?”

Ik: Ja. Ik behoor vermoedelijk zelf tot de doelgroep die zo’n gebouw geweldig vindt. Dat maakt de exercitie eerder interessanter dan gênanter. Het is eenvoudig kritisch rekenen aan voorzieningen die je zelf nooit gebruikt. Veel moeilijker is het om hetzelfde te doen bij iets waarvan je denkt: wat heerlijk dat dit bestaat.

25. Het sterkste tegenargument

Het beste bezwaar tegen mijn hele verhaal blijft daarom dit: een samenleving mag bewust voorzieningen betalen die ongelijk worden gebruikt omdat zij vindt dat de beschikbaarheid daarvan iets zegt over het soort samenleving dat zij wil zijn. Daar ben ik het mee eens. Een mooie bibliotheek, een museum, een park of een theater hoeft niet door iedere belastingbetaler even intensief te worden gebruikt om bestaansrecht te hebben.

Maar dan hoort er ook een spiegel bij. Als “het soort samenleving dat wij willen zijn” opvallend goed overeenkomt met de voorkeuren van de theoretisch opgeleide groep die in politiek, bestuur, advieswereld en cultuur sterk vertegenwoordigd is, mogen we blijven vragen wie dat wij precies is. En misschien is dát uiteindelijk een interessantere vraag dan of een studieplek €3,18 of €3,71 per uur kost.

De Volksuniversiteit bewaar ik voor een volgende aflevering. Juist omdat daar vergelijkbare woorden vallen – ontwikkeling, taal, cultuur, een leven lang leren – maar de verhouding tussen gebruiker, prijs en gemeenschapsgeld opvallend anders is.

Previous Post Next Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*