808 It’s all in Fred Hirsch, dus nogmaals
Het is me inmiddels toch gelukt een digitale versie te bemachtigen van Hirsch’ Social limits to growth. Waardoor ik een betere samenvatting kan geven dan die uit mijn geheugen. En ik kan de test doen of er nu een beter systeemdiagram kan worden gemaakt door AI, wat mijn vermoeden in de vorige blog was. De samenvatting is behoorlijk gedetailleerd en toegesneden op mijn eigen thematieken en plaats ik hier voor toekomstige naslag voor mezelf. Het boek is (in mijn ogen) zo rijk aan ideeën en inzichten dat ik die lange tekst graag hier plaats en overneem, de ‘geheugen-versie’ mist de nuances en dan druk ik nog voorzichtig uit. Of de diagrammen zoveel beter zijn dan AI al kon maken op basis van wat ik grof aanleverde … ik ben niet overtuigd, de diagrammen zijn wel wat beter maar niet veel anders. Ik vermoed dus ook dat niet elke tekst zich even makkelijk leent voor een duidelijke visualisatie, waar dat dan weer vanaf hangt is een vraag voor verder onderzoek.
Uitgebreide samenvatting van Social Limits to Growth
Fred Hirsch schreef geen gewoon boek tegen economische groei. Hij betoogt ook niet dat welvaart, techniek of markten onbelangrijk zijn. Zijn veel radicalere punt is dat economische groei van karakter verandert zodra een samenleving materieel rijker wordt. Zolang veel mensen gebrek hebben aan voedsel, kleding, warmte, huisvesting en gewone gebruiksgoederen, kan groei werkelijk veel oplossen. Er kunnen meer producten worden gemaakt en meer mensen kunnen daarvan profiteren. Maar naarmate de materiële behoeften beter worden vervuld, verschuift een groter deel van onze verlangens naar goederen en posities waarvan de waarde afhankelijk is van wat anderen hebben, doen of bereiken. Dan groeit de economie nog wel, maar groeit niet automatisch datgene waar mensen uiteindelijk om strijden: de beste plek, rust, ruimte, aanzien, aantrekkelijk werk, exclusieve toegang, een huis op een gewilde locatie of een positie boven anderen. Hirsch noemt dit het terrein van de sociale schaarste en de positionele economie. Het boek bestaat grofweg uit vier samenhangende analyses: sociale schaarste, de commercialiseringsdwang, de uitputting van moreel kapitaal en de politieke gevolgen daarvan.
1. De drie vragen waarmee Hirsch begint
Hirsch opent met drie paradoxen. Ten eerste: waarom blijft economische vooruitgang voor iedereen afzonderlijk zo aantrekkelijk, terwijl de gezamenlijke uitkomst teleurstelt wanneer vrijwel iedereen vooruitgaat? Ten tweede: waarom wordt de strijd over de verdeling van welvaart juist feller in een rijkere samenleving, terwijl groei bedoeld was om die strijd minder belangrijk te maken? Ten derde: waarom neemt de behoefte aan overheidsregels en collectieve voorzieningen toe in een samenleving die individuele vrijheid en marktwerking steeds sterker verheerlijkt? Hij noemt dit:
- de paradox van de welvaart;
- de verdelingsdwang;
- het onwillige collectivisme.
Zijn antwoord is dat deze drie verschijnselen dezelfde oorsprong hebben. De traditionele economie doet alsof productie, verdeling en individuele vrijheid grotendeels los van elkaar kunnen worden geanalyseerd. In een welvarende samenleving raken ze juist steeds sterker met elkaar verknoopt. Dat is al typisch een raakvlak met uw eigen manier van kijken: zaken die in beleidsnotities en economische modellen als afzonderlijke dossiers verschijnen, blijken onderdelen van één systeem te zijn.
Deel I — Sociale schaarste
2. Materiële en positionele goederen
Hirsch maakt een essentieel onderscheid tussen twee delen van de economie.
De materiële economie
Dit omvat goederen en diensten waarvan de beschikbaarheid door productie en technologie kan toenemen:
- voedsel;
- kleding;
- apparaten;
- vervoermiddelen;
- veel vormen van wooncomfort;
- medische technieken;
- reproduceerbare diensten.
Wanneer de productiviteit stijgt, kunnen meer mensen over meer van deze goederen beschikken. Hier heeft het gewone groeiverhaal veel geldigheid.
De positionele economie
Dit zijn goederen, kansen en omstandigheden die niet onbeperkt kunnen worden uitgebreid, omdat hun waarde afhangt van:
- relatieve positie;
- exclusiviteit;
- beperkte fysieke ruimte;
- beperkte sociale opnamecapaciteit;
- het aantal anderen dat eveneens toegang krijgt.
Voorbeelden zijn:
- topfuncties;
- prestigieuze opleidingen;
- huizen op de beste locaties;
- natuur en stilte;
- niet-drukke vakantiegebieden;
- leiderschapsposities;
- status en erkenning;
- toegang tot exclusieve netwerken.
De fundamentele asymmetrie is: De materiële economie kan groeien, terwijl de positionele economie grotendeels dezelfde omvang houdt. Er kunnen meer mensen een auto bezitten, maar niet iedereen kan zonder file rijden. Er kunnen meer mensen een universitaire opleiding volgen, maar niet iedereen kan daardoor tot de best opgeleide tien procent behoren. Er kunnen meer huizen worden gebouwd, maar niet onbeperkt meer huizen ontstaan op de aantrekkelijkste plekken dicht bij werk, groen, voorzieningen en gelijkgestemden. Dat is de basis van vrijwel het hele boek.
3. Niet alle schaarste is hetzelfde
Hirsch onderscheidt verschillende vormen van schaarste.
Fysieke schaarste
Sommige dingen zijn letterlijk uniek of beperkt:
- een schilderij van Rembrandt;
- een bijzonder landschap;
- een historisch pand;
- een specifieke plek aan een meer.
Meer koopkracht produceert daar geen tweede exemplaar van.
Pure sociale schaarste
Soms ontlenen mensen juist voldoening aan het feit dat niet iedereen iets heeft. Het object is aantrekkelijk doordat het exclusief is. Denk aan:
- een statussymbool;
- een zeldzaam merk;
- lidmaatschap van een exclusieve club;
- een titel die waarde verliest zodra iedereen hem krijgt.
Incidentele sociale schaarste
Hier ligt de waarde niet primair in exclusiviteit, maar vermindert de kwaliteit wanneer meer mensen deelnemen. Voorbeelden:
- een rustige woonomgeving die druk wordt;
- een toeristische plek die haar charme verliest;
- een weg die dichtslibt;
- een vergadering die door groeiende deelname onwerkbaar wordt;
- een leiderschapsfunctie die niet onbeperkt kan worden gedeeld.
Dat laatste is belangrijk. Hirsch beperkt sociale schaarste dus niet tot jaloezie, pronken of statuszucht. Ook mensen die helemaal niet boven anderen willen staan, kunnen vastlopen in sociale schaarste. Ze willen bijvoorbeeld gewoon rust, ruimte, autonomie, betekenisvol werk of een niet-overvolle omgeving. Maar de kwaliteit daarvan verdwijnt zodra iedereen afzonderlijk dezelfde keuze maakt.
4. Wat ieder afzonderlijk kan, kunnen we niet allemaal
Hirsch vat zijn inzicht samen met de gedachte: Wat ieder van ons afzonderlijk kan bereiken, kunnen wij niet allemaal tegelijk bereiken. Iedere soldaat kan in beginsel generaal worden. Maar niet alle soldaten kunnen generaal worden, want het bestaan van een generaal veronderstelt dat er ook soldaten zijn. Iedere leerling kan proberen tot de top te behoren. Maar niet alle leerlingen kunnen tot de beste tien procent behoren. Iedereen kan proberen een huis in een rustige, groene en goed bereikbare omgeving te kopen. Maar wanneer iedereen dat probeert, ontstaan hogere grondprijzen, verdichting, verkeer en verdringing—waardoor juist de gezochte kwaliteit wordt aangetast. Hirsch’ beroemde metafoor is die van een menigte waarin iemand op zijn tenen gaat staan om beter te kunnen zien. Dat is voor die ene persoon rationeel. Wanneer iedereen hetzelfde doet, ziet niemand beter, maar staat iedereen ongemakkelijker. Dit is precies het type systeem waarin:
- individueel rationeel gedrag;
- via imitatie en wederzijdse aanpassing;
- een collectief ongunstige uitkomst veroorzaakt.
Daarmee staat Hirsch dicht bij uw terugkerende thema dat de individuele schuldvraag vaak de verkeerde ingang is. Mensen hoeven niet dom, slecht of hebzuchtig te zijn. Ze reageren logisch op een situatie die hen tot bepaald gedrag dwingt.
5. Positieve concurrentie en positionele concurrentie
Hirsch is niet tegen concurrentie als zodanig. In de materiële economie kan concurrentie:
- innovatie stimuleren;
- kosten verlagen;
- kwaliteit verhogen;
- productie verbeteren;
- slechte producenten vervangen.
Dat kan een positief-som-spel zijn. Maar in de positionele economie heeft concurrentie een tweede functie: zij moet een overschot aan kandidaten filteren voor een beperkt aantal plaatsen. Die filtering maakt niet noodzakelijk het product beter. Zij bepaalt vooral wie binnenkomt en wie buiten blijft. Dat kan gebeuren door:
- prijs — de hoogste bieder krijgt het goed;
- congestie — iedereen krijgt toegang, maar de kwaliteit neemt af;
- screening — de toegangseisen worden zwaarder.
Alle drie hebben andere gevolgen.
6. Prijs verdeelt schaarste, maar heft haar niet op
Bij een schaars schilderij, een toplocatie of een bijzondere woning kan de prijs stijgen tot slechts een kleine groep overblijft. De markt heeft dan technisch gezien de vraag en het aanbod in evenwicht gebracht. Maar zij heeft geen extra schilderij, toplocatie of rustige omgeving geproduceerd. Zij heeft alleen bepaald wie er toegang krijgt. Dat is een cruciale correctie op het gewone marktverhaal: De prijs kan sociale schaarste rantsoeneren, maar niet noodzakelijk oplossen. Bovendien komt de prijsstijging vaak ten goede aan degenen die het schaarse bezit al hadden. Daardoor ontstaat een cumulatief voordeel voor de vroege bezitters. Dit sluit bijna één op één aan op uw woningmarkt- en residuelegrondwaardethema. Meer inkomen, meer kredietruimte, betere verbindingen en een toenemende vraag naar aantrekkelijk wonen produceren niet vanzelf meer aantrekkelijke grond. Ze worden voor een groot deel gekapitaliseerd in:
- hogere grondprijzen;
- hogere huizenprijzen;
- vermogenswinsten voor zittende eigenaren;
- moeilijkere toegang voor nieuwkomers.
De welvaartsgroei wordt zo niet alleen gebruikt om meer woonkwaliteit te kopen; zij wordt afgeroomd door de eigenaar van de schaarse positie. Hirsch merkt daarbij scherp op dat de eerste vermogenden aantrekkelijke grond konden kopen toen de premie op rust, landschap en ligging nog gering was. Latere groepen krijgen wel een hoger inkomen, maar moeten concurreren tegen de vermogenswinsten van degenen die er al zitten. De vroegere voorsprong wordt kapitaal. Dat is uw bekende mechanisme:
meer algemene koopkracht → hogere biedruimte → vaste hoeveelheid gewilde grond → prijsstijging → vermogenswinst voor bezitters → grotere kloof met toetreders.
7. De voorstad die door haar succes verdwijnt
Hirsch gebruikt suburbanisatie als voorbeeld van sociale congestie. Mensen verhuizen uit de stad om:
- rustiger te wonen;
- meer ruimte te krijgen;
- groen te hebben;
- toch dicht bij werk en voorzieningen te blijven.
Voor ieder afzonderlijk is dat een begrijpelijke keuze. Maar doordat velen hetzelfde doen:
- stijgen de grondprijzen;
- neemt de bebouwing toe;
- groeit het verkeer;
- verdwijnen open ruimtes;
- verplaatsen winkels en voorzieningen zich;
- wordt de voorstad steeds stedelijker.
De voorstad wordt zo vernietigd door de mensen die juist voor haar oorspronkelijke kwaliteiten kwamen. De reactie is vervolgens dat mensen opnieuw verder naar buiten trekken. Daarna herhaalt het proces zich. Dat is een schitterend voorbeeld van wat u vaak beschrijft als de oplossing die het probleem verplaatst en vergroot. Niemand koos voor de totale ruimtelijke uitkomst. Iedereen koos slechts voor een aantrekkelijk huis op dat moment. Hirsch noemt dit, in navolging van Alfred Kahn, de tirannie van kleine beslissingen.
8. De tirannie van kleine beslissingen
De markt biedt meestal keuze tussen kleine alternatieven op het huidige moment, maar niet tussen verschillende toekomstige systemen. Hirsch gebruikt het voorbeeld van de lokale boekhandel:
- het goedkope boek bij de prijsvechter;
- of hetzelfde boek duurder bij de plaatselijke boekhandel.
Veel mensen kiezen begrijpelijkerwijs het goedkope boek. Daardoor verdwijnt uiteindelijk de boekhandel. Maar niemand kreeg de werkelijke keuze voorgelegd:
- goedkope boeken zonder lokale boekhandel;
- of iets duurdere boeken mét een plaatselijke boekhandel.
De individuele transactie bevat slechts de aantrekkelijke eerste stap. De collectieve eindtoestand staat niet op het prijskaartje. Dit raakt direct aan uw analyses van:
- Spotify;
- reclame;
- goedkope platforms;
- lokale winkels;
- media;
- arbeidsvoorwaarden;
- milieu;
- de consument met verschillende petten.
De consument zegt als burger:
- ik wil goede journalistiek;
- fatsoenlijke lonen;
- levende winkelstraten;
- eerlijke artiestenvergoedingen;
- minder reclame;
- duurzame productie.
Maar aan de kassa kiest hij:
- goedkoop;
- snel;
- onbeperkt;
- gratis;
- gemakkelijk.
De markt registreert die laatste keuze als de “echte voorkeur”. Hirsch laat zien dat dit onjuist kan zijn. De markt meet de keuze binnen het bestaande arrangement, niet de voorkeur voor het soort samenleving dat daaruit voortkomt. Dat is wellicht een van de sterkste raakvlakken met uw Spotify-analyse: de consument kiest geen systeem waarin kleine muzikanten slecht worden betaald. Hij kiest een goedkoop en gemakkelijk abonnement. De institutionele einduitkomst wordt nooit als afzonderlijke keuze aangeboden.
9. Diploma-inflatie: onderwijs als fabriek én filter
Het onderwijsvoorbeeld is waarschijnlijk het meest rechtstreeks verbonden met uw recente systeemdiagrammen. Hirsch onderscheidt twee functies van onderwijs.
Onderwijs als fabriek
Onderwijs kan werkelijk vaardigheden, kennis en productiviteit toevoegen. Dan ontstaat reële maatschappelijke waarde.
Onderwijs als filter
Een diploma kan ook functioneren als signaal waarmee werkgevers kandidaten selecteren:
- intelligentie;
- discipline;
- doorzettingsvermogen;
- culturele passendheid;
- vermogen om een lang traject te voltooien.
Wanneer meer mensen hetzelfde diploma halen, daalt de onderscheidende waarde ervan. Werkgevers verhogen vervolgens de eisen:
- vroeger middelbare school;
- later bachelor;
- daarna master;
- vervolgens aanvullende cursussen, stages en ervaring.
Het diploma van de één vermindert zo de positionele waarde van dat van de ander. Voor het individu blijft verder studeren rationeel. Niet meedoen betekent immers relatief achteruitgaan. Maar voor de samenleving kan een deel van deze extra scholingsinspanning defensief zijn: men leert niet noodzakelijk meer wat voor het werk nodig is, maar moet een langere hindernisbaan afleggen om dezelfde plaats te bereiken. Hirsch noemt onderwijs daarom feitelijk een defensieve noodzaak. Je studeert niet alleen om vooruit te komen, maar ook om te voorkomen dat je wordt ingehaald. Uw voorgestelde keten staat vrijwel letterlijk in het boek:
meer mensen studeren → diploma wordt minder onderscheidend → werkgevers verhogen eisen → meer mensen moeten langer studeren → hoger opgeleiden nemen werk lager in de hiërarchie → mensen zonder diploma worden verdrongen → ook onderaan stijgen de toetredingseisen.
Daarmee ontstaat:
- meer onderwijsuitgaven;
- meer studieschuld;
- later toetreden tot de arbeidsmarkt;
- meer prestatiedruk;
- meer selectie;
- meer teleurstelling;
- meer overkwalificatie;
- niet evenredig meer waardevolle banen.
Hirsch zag in 1976 al wat nu vaak wordt besproken als credentialism, diploma-inflatie en de overproductie van academische kwalificaties.
10. Meritocratie wordt een steeds langere hindernisbaan
Onderwijsuitbreiding lijkt democratisch: meer mensen krijgen toegang tot de race. Maar Hirsch wijst op een pervers gevolg. Zodra meer mensen formeel gekwalificeerd raken, wordt de selectie verfijnder en duurder. Dan krijgen mensen voordeel die:
- langer zonder inkomen kunnen studeren;
- steun van ouders krijgen;
- de juiste culturele codes kennen;
- toegang tot stages en netwerken hebben;
- kunnen verhuizen;
- risico’s kunnen nemen;
- weten welke extra certificaten tellen.
De meritocratie verdwijnt dus niet wanneer de toegang wordt verbreed. Zij verplaatst zich naar een volgende selectiepoort. Dit raakt sterk aan uw kritiek op het verheffen van onderwijs tot universele oplossing. “Meer scholing” klinkt sympathiek, maar wanneer het aantal aantrekkelijke functies niet meegroeit, wordt scholing deels een wapen in een verdelingsstrijd. Dan is onderwijs niet alleen emancipatie, maar ook:
- selectie;
- rangschikking;
- uitsluiting;
- zelfrechtvaardiging van de winnaars.
De mensen bovenaan kunnen vervolgens zeggen dat zij hun positie hebben verdiend, terwijl de lengte en kostbaarheid van de route juist degenen bevoordeelden die al over middelen beschikten.
Deel II — De commercialiseringsdwang
11. De markt geeft keuze in het klein, niet in het groot
In het tweede deel gaat Hirsch verder dan positionele goederen. Hij stelt dat markten een structurele voorkeur hebben voor oplossingen die via afzonderlijke transacties verkocht kunnen worden. Wat niet eenvoudig als product of individuele dienst kan worden aangeboden, heeft een achterstand. Daarmee ontstaat een commercialiseringsbias:
- individuele oplossingen zijn verkoopbaar;
- collectieve oplossingen zijn moeilijker te organiseren;
- commerciële prikkels zijn direct;
- sociale gevolgen zijn verspreid en vertraagd.
Voorbeeld:
- een individuele auto kan worden verkocht;
- een goed openbaar vervoerssysteem vereist gezamenlijke organisatie.
Wanneer het openbaar vervoer verslechtert, wordt de auto aantrekkelijker. Meer auto’s maken het openbaar vervoer relatief nog minder aantrekkelijk en veroorzaken extra congestie. Iedereen reageert rationeel op de verslechterende situatie, maar versterkt haar daardoor. Dat patroon is terug te vinden in veel van uw onderwerpen:
- particulier pensioen tegenover collectieve zekerheid;
- private beveiliging tegenover publieke veiligheid;
- bijles tegenover goed algemeen onderwijs;
- airconditioning tegenover klimaatadaptatie;
- individuele zonnepanelen of batterijen tegenover systeeminfrastructuur;
- koopwoningen als belegging tegenover volkshuisvesting;
- zelfhulp en coaching tegenover wijziging van institutionele oorzaken.
Er wordt een individueel product verkocht voor een probleem dat collectief wordt voortgebracht.
12. Nieuwe behoeften zijn soms reparatiekosten
Een van Hirsch’ scherpste punten is dat economische groei activiteiten meetelt die geen uiteindelijke verbetering zijn, maar noodzakelijk zijn geworden door andere economische processen. Denk aan:
- langer woon-werkverkeer;
- extra beveiliging;
- meer administratie;
- selectieprocedures;
- juridische controle;
- marketing;
- bescherming tegen vervuiling;
- opleidingen die alleen nodig zijn door diploma-inflatie;
- therapie of herstel door werkdruk;
- toezicht omdat vertrouwen is verdwenen.
In de nationale rekeningen verschijnen deze activiteiten als productie. Maar ze zijn soms beter te begrijpen als intermediaire of defensieve kosten: inspanningen die nodig zijn om een probleem te compenseren dat elders in het systeem is ontstaan. Dat raakt direct aan uw vraag of meer gemeten economie ook meer welvaart betekent. Een economie kan groeien doordat:
- zij een probleem veroorzaakt;
- mensen vervolgens moeten betalen om zich ertegen te beschermen;
- de reparatieactiviteit eveneens als economische productie wordt geteld.
Voorbeeld: meer verkeer → meer files → meer reistijd → extra wegen, navigatiesystemen, verkeersmanagement en stressbehandeling. Het bbp groeit, maar de oorspronkelijke behoefte—redelijk snel van A naar B komen—is niet noodzakelijk beter vervuld. Dit lijkt sterk op uw “papierval”-thema: het systeem produceert administratieve complexiteit en telt vervolgens de professionals, controle, software en herstelprogramma’s die nodig zijn om die complexiteit te beheersen als economische activiteit.
13. De markt maakt meer domeinen tot handelswaar
Hirsch spreekt van een nieuw commodity fetishism. Naarmate meer sociale relaties marktmatig worden georganiseerd, worden zaken die eerder steunden op:
- vertrouwen;
- loyaliteit;
- beroepseer;
- wederkerigheid;
- plicht;
- informele hulp;
omgezet in expliciete contracten, betalingen en prikkels. Dat kan op korte termijn efficiënt lijken. Een financiële prikkel is concreet en bestuurbaar. Maar er verandert ook iets aan de aard van de relatie. Wanneer mensen alleen nog iets doen omdat:
- het wordt betaald;
- er een bonus tegenover staat;
- er een sanctie dreigt;
- het meetbaar in de doelstelling staat;
kan de intrinsieke of morele motivatie afnemen. Dit is een duidelijke voorloper van uw analyses van managementsystemen, targets en “braafpraatjes”. Een organisatie spreekt over vertrouwen, vakmanschap en betrokkenheid, maar bouwt tegelijk steeds meer controle-, bonus- en verantwoordingssystemen. Daardoor geeft zij impliciet de boodschap af dat professioneel gedrag zonder prikkel niet kan worden vertrouwd.
Deel III — De uitputting van moreel kapitaal
14. De markt leeft van waarden die zij niet zelf produceert
Dit is misschien het diepste en minst bekende deel van Hirsch’ boek. Markten werken alleen behoorlijk wanneer mensen zich meestal houden aan normen die niet volledig in contracten kunnen worden vastgelegd:
- eerlijkheid;
- betrouwbaarheid;
- plichtsbesef;
- terughoudendheid;
- vakmanschap;
- respect voor afspraken;
- bereidheid niet iedere mogelijkheid tot persoonlijk voordeel uit te buiten.
Geen contract kan iedere situatie vooraf beschrijven. Geen toezichthouder kan iedere handeling waarnemen. Zoals Hirsch ongeveer stelt: alleen ikzelf kan overal zien waar ik afval laat vallen. De markt is daarom afhankelijk van moreel en sociaal kapitaal. Maar wanneer het beginsel van eigenbelang steeds verder wordt uitgebreid, kan het die basis aantasten. Mensen leren dan:
- zoek je eigen voordeel;
- gebruik beschikbare ruimte;
- laat kansen niet liggen;
- optimaliseer;
- schuif kosten af wanneer dat mag;
- doe niets waarvoor je niet wordt beloond.
Het systeem gebruikt dus morele reserves die in eerdere sociale verbanden zijn opgebouwd, maar vult ze niet vanzelf aan. Hirsch’ paradox luidt: De liberale marktorde steunt op een sociaal ethos dat zij door haar eigen succes kan ondermijnen. Dit sluit vrijwel rechtstreeks aan op het beeld van reputatiemijnbouw dat u als voorbeeld gaf: vroegere generaties bouwen vertrouwen, kwaliteit en reputatie op; latere bestuurders kunnen die voorraad benutten voor snelle winst; financieel lijkt de organisatie tijdelijk rijker, maar institutioneel wordt zij armer.
15. Akerlof en Hirsch raken elkaar hier
Akerlof en Shiller laten later zien dat markten systematisch ruimte bieden aan ondernemers die menselijke zwakheden uitbuiten. Hirsch legt een aanvullend mechanisme bloot:
- markten hebben vertrouwen en zelfbeheersing nodig;
- commerciële concurrentie beloont soms partijen die die normen maximaal benutten;
- wanneer anderen dat zien, moeten zij mee of verliezen;
- controle en contracten nemen toe;
- vertrouwen neemt verder af;
- transactiekosten stijgen.
Dat is bijna een gesloten RSD:
meer nadruk op eigenbelang
→ meer benutting van mazen en informatievoorsprong
→ minder vertrouwen
→ meer regels, controle en contracten
→ hogere kosten en meer afstand
→ gedrag wordt nog instrumenteler
→ nog minder vertrouwen.
Akerlof beschrijft hoe de markt de zwakke plek van de consument exploiteert. Hirsch beschrijft hoe zij tegelijk haar eigen morele ondergrond afgraaft.
16. Waarom de gemengde economie overbelast raakt
Wanneer vertrouwen en informele normen afnemen, neemt de vraag naar formele regulering toe:
- meer toezicht;
- meer regels;
- meer administratie;
- meer contracten;
- meer handhaving;
- meer meetpunten;
- meer sancties.
Maar ook bestuurders, toezichthouders en uitvoerders zijn mensen die eigen belangen kunnen nastreven. De staat kan dus niet eenvoudig als perfecte reparateur boven het systeem worden geplaatst. Dit is kenmerkend voor Hirsch: hij zegt niet dat de markt faalt en de staat het oplost. Hij laat zien dat:
- de markt collectieve problemen produceert;
- de staat moet ingrijpen;
- de staat daarvoor afhankelijk is van informatie, legitimiteit en plichtsbesef;
- juist die sociale voorwaarden onder druk staan;
- meer regulering daardoor weer meer controle en complexiteit vraagt.
Hier raakt hij uw terugkerende analyse van “alles weten maar weg organiseren”. De oplossing wordt een nieuw systeem van formulieren, protocollen, indicatoren en professionals. Dat systeem probeert vertrouwen te vervangen door controle, maar wordt daardoor duur, traag en soms onmenselijk. De gemengde economie raakt overbelast omdat zij steeds meer gedrag extern moet afdwingen dat vroeger gedeeltelijk intern werd begrensd.
17. De dubbele mens
Hirsch loopt vooruit op uw idee van mensen met verschillende petten. Dezelfde persoon kan zijn:
- consument;
- werknemer;
- burger;
- ouder;
- belastingbetaler;
- buurtbewoner;
- belegger.
Als consument wil hij lage prijzen. Als werknemer wil hij een goed loon. Als burger wil hij kwaliteit en duurzaamheid. Als belastingbetaler wil hij lage lasten. Als huizenbezitter wil hij prijsstijging; als ouder wil hij betaalbare woningen voor zijn kinderen. De markt registreert vooral de keuze die met geld wordt uitgeoefend. Maar dat is slechts één kant van de persoon. Daarom kan de uitkomst waar iedereen in zijn consumentenrol aan bijdraagt, strijdig zijn met wat vrijwel iedereen als burger zegt te willen. Dat is geen hypocrisie in eenvoudige zin. Het is een institutioneel probleem: verschillende rollen worden via verschillende mechanismen geuit, en de directste prikkel wint vaak van de diffuse langetermijnvoorkeur.
Deel IV — Verdeling, legitimiteit en politiek
18. Groei vervangt herverdeling niet
Een centrale politieke belofte van groei is: We hoeven niet af te pakken en te herverdelen; als de taart groeit, krijgt uiteindelijk iedereen meer.Voor materiële goederen kan dat deels kloppen. Maar voor positionele goederen telt de relatieve plaats. Wanneer alle inkomens verdubbelen maar de hoeveelheid aantrekkelijke grond gelijk blijft, stijgt de prijs ervan mee. Wie relatief niet vooruitgaat, krijgt niet vanzelf meer toegang. Daarom keert de verdelingsstrijd terug. Sterker nog: groei kan de verdelingsstrijd intensiveren, omdat mensen na het vervullen van basisbehoeften een groter deel van hun inkomen besteden aan positionele goederen. Dan bepaalt niet alleen hoeveel inkomen je hebt, maar vooral waar je staat in de verdeling. Hirsch noemt dit de distributional compulsion: de structurele dwang om over verdeling te blijven strijden. Dit sluit sterk aan op uw kritiek op de uitspraak dat woningproblemen met algemene inkomensgroei of meer financieringsruimte kunnen worden opgelost. Wanneer iedereen meer kan lenen, verbetert de positie van niemand ten opzichte van dezelfde grond. De prijzen stijgen en de reeds gevestigde bezitters winnen.
19. De winnaars hebben belang bij het systeem
Hirsch laat zien dat sociale schaarste niet alleen frustratie veroorzaakt, maar ook belangen structureert. Wie al beschikt over:
- een goede woning;
- een aantrekkelijke locatie;
- een prestigieus diploma;
- een gevestigde positie;
- een professioneel netwerk;
- vermogen;
heeft belang bij het bewaken van de schaarste. Dat kan via:
- ruimtelijke beperkingen;
- selectie-eisen;
- beroepslicenties;
- netwerken;
- culturele codes;
- institutionele toelatingscriteria.
Sommige beperkingen zijn nodig om kwaliteit te beschermen. Maar tegelijk verhogen ze de waarde van de positie van de gevestigden. Dit is precies de dubbelheid in uw woningmarktanalyses:
- bewoners willen groen, rust en kwaliteit beschermen;
- die bescherming beperkt nieuw aanbod;
- het tekort verhoogt hun vermogenswaarde;
- vervolgens presenteren zij het eigenbelang als algemeen belang.
Dat betekent niet dat natuurbescherming of ruimtelijke kwaliteit onzin is. Het betekent dat kwaliteit, exclusie en vermogensbelang institutioneel door elkaar lopen.
20. Liberalisme als overgangsfase
Hirsch’ meest ambitieuze historische stelling is dat het succesvolle liberale kapitalisme mogelijk berustte op tijdelijke beginvoorwaarden. Het systeem kon goed werken doordat:
- aanvankelijk slechts een minderheid volledig aan de welvaart en positionele competitie deelnam;
- het gebruikmaakte van morele normen die in een eerdere, minder commerciële samenleving waren gevormd.
Door zijn succes ondermijnt het beide voorwaarden:
- steeds meer mensen krijgen middelen en verwachtingen om mee te dingen;
- steeds meer relaties worden door eigenbelang en commerciële prikkels gestuurd.
Daardoor nemen zowel de strijd om schaarse posities als het tekort aan sociaal vertrouwen toe. Dit is geen eenvoudige nostalgie naar vroeger. Hirsch erkent dat oude gemeenschappen ook beklemmend, hiërarchisch en onvrij konden zijn. Zijn punt is analytisch: een samenleving kan informele discipline afbreken zonder een goed werkend alternatief te hebben. Vrijheid van traditionele bindingen is winst, maar brengt een grotere behoefte mee aan:
- geïnternaliseerde verantwoordelijkheid;
- betrouwbare instituties;
- collectieve besluitvorming;
- nieuwe vormen van samenwerking.
Wat stelt Hirsch voor?
21. Geen wondermiddel
Hirsch is opvallend voorzichtig in zijn beleidsconclusies. Hij weet dat collectieve actie ook:
- bureaucratisch;
- inefficiënt;
- paternalistisch;
- machtsgevoelig;
- informatiearm;
kan zijn. De diagnose “individuele keuzes tellen niet goed op” bewijst nog niet automatisch dat een overheidsregeling beter werkt. Zijn houding is: De ziekte is redelijk zichtbaar, maar de omvang ervan en de bijwerkingen van het medicijn zijn minder zeker. Daarmee verschilt hij van veel grote systeembouwers. Hij probeert geen blauwdruk voor een ideale samenleving te leveren.
22. De eerste stap is erkenning
Zijn belangrijkste beleidsaanbeveling is bijna bescheiden: erken het bestaan van sociale grenzen. Zolang politiek en economie blijven beloven dat iedere individuele ambitie uiteindelijk collectief kan worden vervuld, ontstaat een frustratiemachine. Niet alle problemen zijn tijdelijk. Niet iedere barrière verdwijnt door:
- harder werken;
- meer opleiding;
- meer productie;
- meer krediet;
- meer innovatie;
- meer marktwerking.
Sommige sociale grenzen kunnen worden verruimd, bijvoorbeeld door betere organisatie. Andere moeten eerlijk worden aanvaard en verdeeld. De kosten van ontkenning zijn:
- overspannen verwachtingen;
- verspilde inspanning;
- statuswedlopen;
- teleurstelling;
- politieke boosheid;
- verscherpte verdelingsconflicten.
23. Verminder nodeloze hinderniswedlopen
Waar concurrentie vooral een filterfunctie vervult, moet worden onderzocht of de selectie eenvoudiger en goedkoper kan. Bij onderwijs kan dat betekenen:
- minder automatische diploma-eisen;
- selectie dichter bij de werkelijke functie;
- betere toegang zonder eindeloze credentialstapeling;
- onderscheid tussen leren en rangschikken;
- alternatieve routes naar vakmanschap.
Dat sluit aan op uw waardering voor vakmanschap en kwaliteit. Niet iedereen hoeft via dezelfde academische ladder omhoog. Wanneer maatschappelijk respect en bestaanszekerheid uitsluitend aan hogere diploma’s worden gekoppeld, wordt vrijwel iedereen gedwongen aan de wedloop deel te nemen.
24. Organiseer keuze over systemen, niet alleen transacties
Hirsch vraagt om instituties waarmee mensen kunnen kiezen tussen verschillende collectieve eindtoestanden. Niet alleen:
- deze autorit of die autorit;
- dit goedkope boek of dat duurdere boek;
- deze woning of die woning;
maar:
- welk vervoerssysteem willen we?
- willen we lokale voorzieningen behouden?
- hoe verdelen we ruimte?
- hoeveel concurrentie en selectie achten we wenselijk?
- welke kwaliteit willen we beschermen en wie krijgt toegang?
Dit is systeemdenken in politieke vorm: niet alleen sturen op de volgende stap, maar het terugkoppelingspatroon zichtbaar maken.
25. Bescherm en herstel moreel kapitaal
Hirsch gelooft niet dat ieder sociaal probleem met financiële prikkels kan worden opgelost. Een werkende samenleving moet ook ruimte houden voor:
- vakmanschap;
- beroepseer;
- wederkerigheid;
- intrinsieke motivatie;
- vertrouwen;
- verantwoordelijkheid.
Dat vraagt instituties die niet elke relatie reduceren tot:
- target;
- contract;
- bonus;
- sanctie;
- score;
- controle.
Hier zit een krachtige verbinding met Pirsig en uw vader. Kwaliteit ontstaat niet uitsluitend doordat de juiste prestatie-indicator wordt ingesteld. Zij hangt samen met aandacht, liefde voor het vak en een intern criterium van goed werk. Hirsch levert hiervoor de economische systeemverklaring: zulke niet-commerciële motieven zijn niet slechts sentimenteel. Ze zijn productieve voorwaarden voor een economie die anders onbetaalbaar veel controle nodig heeft.
Raakvlakken met uw belangrijkste thema’s
Groeidwang
Hirsch verklaart waarom groei tegelijk noodzakelijk en teleurstellend kan zijn. Iedere speler heeft groei nodig om:
- stijgende kosten te dragen;
- relatieve positie te behouden;
- toenemende eisen te financieren;
- de gevolgen van eerdere groei te repareren.
Maar een groter deel van die groei gaat zitten in:
- selectie;
- signalering;
- congestie;
- herstel;
- beveiliging;
- controle;
- positionele verdediging.
Dat levert een zelfversterkende groeidwang op zonder evenredige welzijnsgroei.
Woningmarkt en grondwaarde
Hirsch biedt een bijna kant-en-klare fundering onder uw residuelegrondwaardetheorie:
meer welvaart + vaste aantrekkelijke ruimte → hogere biedingen → kapitalisatie in grond en woningen → voordeel voor gevestigde bezitters → uitsluiting van nieuwkomers.
Bouwen kan materiële woningnood verlichten, maar niet onbeperkt de relatieve waarde van:
- centrumlocaties;
- groene buurten;
- rust;
- bereikbaarheid;
- statuswijken;
reproduceren. De woning is dus tegelijk:
- gebruiksgoed;
- positioneel goed;
- vermogensobject;
- toegangsbewijs tot voorzieningen en netwerken.
Te veel hoogopgeleiden
Hirsch zegt niet dat onderwijs nutteloos is. Hij maakt juist het noodzakelijke onderscheid:
- onderwijs kan productiviteit verhogen;
- onderwijs kan mensen ontwikkelen;
- onderwijs kan ook vooral selecteren.
Wanneer die drie functies door elkaar worden gehaald, wordt iedere uitbreiding als maatschappelijke vooruitgang geboekt, terwijl een deel een duurdere sorteermachine kan zijn.
Meritocratie
De meritocratische belofte luidt dat iedereen via inspanning omhoog kan. Hirsch antwoordt: Iedereen kan proberen omhoog te gaan, maar niet iedereen kan relatief omhoog eindigen. Wanneer deelname wordt verbreed, verdwijnen de toplocaties niet, maar worden de criteria verfijnder. Daarna wint niet noodzakelijk de meest geschikte, maar vaak degene die de langste en duurste hindernisbaan kan volhouden.
Relatiemarkt en status
Hirsch schrijft niet primair over moderne datingapps, maar zijn raamwerk past er goed op. Wanneer partners mede worden gezocht op relatieve kenmerken zoals:
- opleiding;
- inkomen;
- status;
- uiterlijk;
- sociale vaardigheden;
- schaarse aantrekkelijkheid;
kan een algemene verbetering van kenmerken de relatieve rangorde niet afschaffen. Iedereen kan:
- beter gekleed;
- hoger opgeleid;
- fitter;
- sociaal vaardiger;
worden. Maar wanneer iedereen dat doet, verschuift de norm. De toetredingsdrempel stijgt terwijl de relatieve posities grotendeels blijven bestaan. Dat is dezelfde diplomawedloop in een ander domein.
De top van de subtop
Uw idee van de top van de subtop kan worden gezien als een rationele gedeeltelijke ontsnapping uit de positionele hoofdwedstrijd. Niet de absolute top nastreven, waar:
- concurrentie extreem is;
- de prijs exponentieel stijgt;
- zichtbaarheid en druk toenemen;
- de extra opbrengst gering kan zijn;
maar een positie zoeken waar de intrinsieke kwaliteit nog groot is en de positionele premie beperkt. Dat geldt voor:
- banen;
- concerten;
- restaurants;
- woonplaatsen;
- opleidingen;
- vakantiebestemmingen.
Het is geen volledige ontsnapping aan Hirsch, want zodra iedereen de sweet spot ontdekt, kan ook die vollopen. Maar het is wel een strategie om minder middelen te verspillen aan de laatste treden van de rangorde.
Spotify, media en de gemakzuchtige consument
Hirsch helpt verklaren waarom de consument niet eenvoudig de schuldige of de onschuldige is. Hij kiest uit de opties die het systeem aanbiedt. De latere gevolgen voor:
- artiesten;
- journalistiek;
- lokale cultuur;
- concentratie van macht;
zijn niet zichtbaar in de afzonderlijke transactie. Daarom is “de consument wil dit” vaak een te simpele conclusie. De consument kiest het product, niet noodzakelijk het institutionele landschap dat uit miljoenen vergelijkbare keuzes ontstaat.
Papierval, controle en bureaucratie
Wanneer moreel kapitaal afneemt en belangen steeds explicieter worden geoptimaliseerd, probeert de overheid vertrouwen te vervangen door:
- bewijsstukken;
- protocollen;
- controles;
- rapportages;
- verantwoordingsketens.
Maar meer controle maakt relaties formeler en wantrouwender, waardoor opnieuw meer controle nodig lijkt. Dat is precies Hirsch’ overbelasting van de gemengde economie.
De essentie in één systeemketen
De hele redenering kan worden samengevat als:
materiële groei
→ meer mensen kunnen deelnemen
→ meer vraag naar schaarse posities en kwaliteiten
→ hogere prijzen, congestie en strengere selectie
→ meer investeren in geld, opleiding, signalen en bescherming
→ meer gemeten economische activiteit
→ maar nauwelijks meer positionele ruimte
→ meer frustratie en verdelingsstrijd
→ meer regels en collectieve interventies
→ meer afhankelijkheid van vertrouwen en moreel gedrag
→ terwijl commercialisering juist dat vertrouwen ondermijnt.
Mijn eindconclusie
Wat Hirsch bijzonder maakt, is dat hij niet alleen zegt dat groei ongelukkig kan maken of dat mensen jaloers zijn. Hij toont een structurele breuk in het optelmechanisme van de economie. De standaardgedachte luidt: Wat goed is voor één individu, kan via groei uiteindelijk beschikbaar worden voor iedereen. Hirsch laat zien: Bij een groeiend deel van de welvaart is het voordeel zelf afhankelijk van het feit dat anderen het niet, nog niet of in mindere mate hebben. Daarom kunnen markten perfect reageren op individuele voorkeuren en toch een collectieve uitkomst produceren die niemand werkelijk heeft besteld. Dat is vermoedelijk ook waarom het boek zo goed bij uw eigen werk past. Hirsch beschrijft niet één storing in de economie. Hij laat zien hoe:
- groei;
- verdeling;
- status;
- bezit;
- instituties;
- moraal;
- individuele keuze;
- collectieve teleurstelling;
onderdelen zijn van één systeem. En hij doet dat zonder in de gemakkelijke conclusie te vervallen dat “de markt” moet worden vervangen door een alwetende overheid. Zijn boodschap is ongemakkelijker en daardoor sterker:
De materiële taart kan groeien, maar veel van wat mensen uiteindelijk najagen bestaat uit plaatsen aan tafel, uitzicht, rust, erkenning en macht. En daarvan komen niet vanzelf meer exemplaren bij.




