834 Van werk naar kerk (4): stellingen over werk, afromen en kerk/musea

Stiekem even tussendoor, tijdens de pauze zeg maar … Een concrete aanleiding en verwondering, dus helemaal vanuit mezelf, niks geen artikel of externe bron, sec. Dit weekend een prachtig en uniek bezoek mogen afleggen aan museum Boijmans in Rotterdam. Het hele spul wordt verbouwd en gerestaureerd en het is nog lang niet klaar (oplevering eind 2030 verwacht). De club ‘Parfum de Boem boem’ heeft het voor elkaar gekregen om ons gewone burgers onder begeleiding een tour te laten maken door de ingewanden van het van asbest ontdane museum. Wat een prachtig en enorm indrukwekkend gebouw is dit, geweldig houtwerk en metselwerk. Wat is als econoom dan altijd weer denk: hoe kan zoiets groots en duurs gebouwd worden, wie betaalt dat en hoe kan dat uit? Cultuurbarbaar ongetwijfeld. Je kunt zoiets alleen maar bouwen als er sprake is van een economisch surplus, je moet tijd en middelen overhouden naast de basale voorzieningen. Ik denk dan ook altijd aan de grote piramides en kathedralen die in tijden van armoede toch gewoon werden gebouwd. Verklaring is simpel: slavenarbeid of varianten daarvan. Een kleine elite roomde de boel af, nam het eigenaarschap over, eigende zich het surplus toe en ga zo maar door. Paradoxaal genoeg is het in deze tijden van veel grotere surplussen juist minder makkelijk om zulke enorme bouwwerken neer te zetten. Omdat mensen nu meer krijgen betaald, slavenarbeid in die zin niet meer bestaat, nou ja hier in Europa althans, nou ja dan toch in ieder geval anders dan toen.

Maar nog steeds krijgen de bouwvakkers of handwerkslieden minder betaald dan de beslissers en surplus-naar-zich-toe-trekkers. En dat is best raar, want zonder vakmensen (iedereen die een rol speelt bij de productie van eten en onderdak) kunnen we niet, terwijl we wel zonder beslissers en surplus-opslokkers kunnen. Dus hoe zit dat dan? Hoe heeft het zover kunnen komen, welke stappen zijn er gemaakt? Het is eigenlijk het 123 van de economie, die toch niet in de economieboekjes staat. Ik kan het me niet herinneren in ieder geval. Een iets ander maar gerelateerde ervaring, ook dit weekend, was mijn bezoek aan de voorstelling ‘Klei’ op de Bossche parade in de Brabanthallen. Ook daar vroeg ik me tijdens het bekijken van de in de modder woelende performers af, wie betaalt dat allemaal, hoe komt zoiets tot stand, van welk surplus gaat dat af en dan heb ik het nog niet over de paar honderd bezoekers die er inclusief reizen in totaal zo’n 1.000 uur aan kwijt zijn. Ja, een echte cultuurbarbaar, voor mij was het een kwelling en niet alleen omdat het in de plastic jasjes (voor het spatten van de klei) met deze hitte niet uit te houden was. Ik verbaas me dan over de prachtige interpretaties en zingevingen en duidingen van een paar mensen die in de klei rollen. Het is mij allemaal volledig ontgaan, wat was ik blij dat ik weer in de buitenlucht stond.

Anyways, voor mij was deze exercitie die ik ‘van werk naar kerk’ noem een thuiskomen. Als econoom moet dit voor mij niks nieuws zijn, maar zo voelt het niet. Eindelijk heb ik iets in handen waar ik al jaren naar zocht. Het ontstaan van surplus, van onrecht zo je wilt, in stappen uitgelegd. Voor leken te volgend, denk ik. Een onderbouwing van de verhalen van macht en rijkdom van mensen als Jos (JvH, @kanttekeningen). Eindelijk een hommage aan mijn overleden vader, die met zijn handen de houten betimmeringen deed van prestigieuze zeiljachten van voornamelijk Duitse miljonairs. Meer surplus-achtig kun je het niet krijgen! En veel thema’s komen terug in deze mini-reeks, zoals mijn verwondering hoe het kan dat we zoveel hoogopgeleiden (theoretisch geschoolden) hebben die meer verdienen terwijl we zonder de rapporten en adviezen zouden kunnen. Want wie vraagt er om die rapporten en wie is er bereid ervoor te betalen, hoe werkt dat? Alles komt weer neer op het ontstaan van dat surplus en wie het zich toe eigent of mag eigenen.

Ik heb 5 delen ‘van kerk naar werk’ gemaakt (na zorgvuldige redactie van de stapel output die de dialogen met AI met opleverde).

  • Deel 1 is de herformulering van de verwondering, waar komt het surplus vandaan. Dus hoe kunnen we kerken bouwen als we niet eens genoeg hebben om iedereen te laten eten?
  • Dan ga ik in deel 2 een klein economisch model ontwikkelen, we beginnen met de eisen of wensen die we in het model willen hebben.
  • In deel 3 presenteer ik het economische model en het verschijnen van 5 fasen van ontwikkeling in de economie.
  • In deel 4 presenteer ik een lijst met stellingen over afromen, surplus, afromen.
  • In deel 5 presenteer ik een zgn RSD-diagram die de uitkomsten visueel weergeeft


Twintig stellingen uit het model

Een goed model levert niet alleen vergelijkingen op, maar vooral nieuwe vragen. De stellingen hieronder zijn daarom geen eindconclusies die we vooraf willen bewijzen. Ze zijn bedoeld als proefboringen: als een stelling binnen ons simpele model waar blijkt, welke aanname maakt dat dan mogelijk? En wat verandert er als we die aanname verwisselen?

Over productie en noodzakelijke vraag

1.Materiële productie heeft een voorsprong: de vraag bestaat al vóórdat iemand haar organiseert.

Mensen moeten eten, wonen, zich kleden en hun omgeving onderhouden. Voor die productie hoeft eerst geen markt te worden bedacht. Dat maakt fysieke productie fundamenteel anders dan veel diensten waarvan de waarde pas ontstaat als iemand er vrijwillig behoefte aan heeft.

2.Een behoefte van de producent aan inkomen is nog geen vraag naar zijn product.

Dat iemand theoretisch is opgeleid en eten nodig heeft, creëert nog geen vraag naar rapporten, beleid of advies. De vraag ontstaat pas als iemand anders die activiteit waardevol genoeg vindt om er een deel van zijn eigen productie voor af te staan.

3.Productie en recht op productie zijn twee verschillende dingen.

Dat een samenleving honderd eenheden voedsel voortbrengt, zegt nog niet wie die honderd eenheden krijgt. Iedere verdeling veronderstelt eigendom, ruil, afspraken, macht of een ander institutioneel mechanisme. Juist dat mechanisme willen we zichtbaar maken.

4.Surplus ontstaat vóór afroming.

Zonder productie boven het noodzakelijke verbruik valt er niets af te romen. Afroming kan dus niet de oorspronkelijke bron van rijkdom zijn; zij is een mogelijke manier waarop een reeds bestaand surplus van eigenaar of beslisser verandert.

Over theoretische arbeid en vrijwillige vraag

5.Theoretische arbeid kan veel waard zijn, maar haar waarde moet in het nulmodel blijken uit vraag.

Een arts, planner, uitvinder, administrateur of bemiddelaar kan meer waarde toevoegen dan hij kost. Het model ontkent dat niet. Het weigert alleen om die waarde vooraf op grond van diploma, status of functietitel toe te kennen.

6.In de nulwereld is de producent opdrachtgever en de theoreticus leverancier.

Als practici behoefte hebben aan een regeldienst, administratie of coördinatie, huren zij die in. Zij bepalen wat nodig is en wat zij ervoor willen betalen. Dat is de omgekeerde volgorde van een systeem waarin de regelaar zelf mede bepaalt hoeveel regels, controles en regelaars nodig zijn.

7.Een grote markt bewijst niet dat er oorspronkelijk een grote behoefte bestond.

Vraag kan ook institutioneel worden gecreëerd. Zodra een regel een rapport, vergunning, controle of gecertificeerde deskundige verplicht maakt, ontstaat economische vraag die er zonder die regel niet was. Daarom moeten vrijwillige vraag en zelf gecreëerde vraag uit elkaar worden gehouden.

8.Wie zijn eigen vraag mag definiëren, ontsnapt gedeeltelijk aan de gewone markttoets.

Een timmerman kan moeilijk voorschrijven dat iedereen jaarlijks verplicht een tafel bij hem koopt. Een regelgevende of professionele sector kan soms wel voorwaarden creëren waardoor haar eigen diensten noodzakelijk worden. Dat is een fundamenteel ander marktmechanisme.

9.Een hoge beloning bewijst geen hoge toegevoegde waarde.

Beloning kan voortkomen uit vrijwillige vraag, maar ook uit monopolie, schaarste, eigendom, wettelijke bevoegdheid of institutionele positie. Inkomen is daarom in het model geen directe maatstaf voor maatschappelijke bijdrage.

Over sparen en grote gebouwen

10.Een kathedraal of museum bewijst op zichzelf geen uitbuiting.

Een groot bouwwerk kan ook ontstaan doordat mensen vrijwillig geproduceerd surplus sparen, bundelen en gezamenlijk besteden. Het interessante bewijsstuk is dus niet het gebouw zelf, maar de manier waarop de beschikkingsmacht over de benodigde arbeid is ontstaan.

11.De relevante vraag bij ieder monument is: wie kon zoveel arbeid aan andere productie onttrekken?

Iedere metselaar die aan een paleis werkt, bouwt op dat moment geen woning. Iedere arbeider die stenen sleept, doet tijdelijk iets anders niet. Een groot project onthult daarom dat ergens veel surplus én geconcentreerde beslissingsmacht aanwezig waren.

12.Gelijke inkomens sluiten grote projecten niet uit.

Ook mensen met gelijke inkomens kunnen vrijwillig sparen en gezamenlijk een groot project financieren. Ongelijkheid is dus geen technische voorwaarde voor een kathedraal. Wel kan ongelijkheid de macht om over het surplus te beslissen sterk concentreren.

13.Het echte verschil is niet tussen arm en rijk, maar tussen surplus bezitten en over andermans surplus kunnen beschikken.

Iemand die veel produceert en veel spaart, beschikt over eigen surplus. Iemand die door een institutionele claim structureel over de productie van anderen kan beschikken, bevindt zich in een andere positie. Dat onderscheid is voor het begrip afroming belangrijker dan alleen het inkomensverschil.

Over sparen, krediet en rente

14.Vanaf het moment dat iemand spaart, ontstaat economische macht over de tijd.

Wie vandaag niet consumeert, kan morgen productie laten uitvoeren zonder op dat moment zelf dezelfde hoeveelheid te produceren. Sparen maakt het dus mogelijk om beschikkingsmacht van het ene tijdstip naar het andere te verplaatsen.

15.Krediet verandert huidig surplus in een claim op toekomstige productie.

De uitlener staat vandaag beschikkingsmacht af en ontvangt daarvoor een vordering. Vanaf dat moment bezit hij niet alleen iets dat al geproduceerd is, maar ook een recht op iets dat een ander in de toekomst nog moet produceren.

16.Rente is niet automatisch afroming.

Als een lening nieuwe productie mogelijk maakt die groter is dan de rentelast, kunnen uitlener en lener beiden winnen. Het model moet daarom productieve kredietverlening onderscheiden van een lening waarbij geen extra productie ontstaat.

17.Zonder extra productie moet rente ergens uit bestaand of toekomstig surplus worden gehaald.

Bij een pechlening of consumptieve lening groeit de productie niet door de lening. De renteclaim kan dan alleen worden betaald doordat de schuldenaar later minder van zijn eigen productie of surplus behoudt.

Over claims en afroming

18.De grootste omslag vindt plaats wanneer bezit niet langer alleen uit goederen bestaat, maar uit claims.

Grondrechten, schuldbewijzen, huurcontracten, pacht, monopolies en wettelijke bevoegdheden kunnen allemaal een recht op toekomstige productiestromen vertegenwoordigen. Vanaf dat moment kan beschikkingsmacht steeds verder losraken van gelijktijdige eigen productie.

19.Afroming begint niet waar iemand veel ontvangt, maar waar de aanspraak niet meer volledig door vrijwillige tegenprestatie wordt verklaard.

Een theoreticus die voor twee eenheden werk drie eenheden bespaart kan uitstekend verdienen zonder af te romen. Interessant wordt het waar iemand structureel meer aanspraken ontvangt dan de vrijwillig gewaardeerde of nieuw gecreëerde tegenprestatie kan verklaren.

20.De fundamentele economische machtsvraag luidt: wie mag claims op toekomstige productie maken?

Wie produceert is belangrijk, maar uiteindelijk misschien minder bepalend dan wie schulden, eigendomsrechten, regels, vergunningen of andere afdwingbare aanspraken mag creëren. Daarmee verschuift de analyse van productie naar institutionele macht.

Een paar ongemakkelijke gevolgen

21.Een samenleving kan rijker worden terwijl de producenten minder over hun eigen surplus beschikken.

De totale productie kan stijgen, terwijl tegelijkertijd een steeds groter deel ervan al door rente, huur, belasting, regelgeving of andere claims is toegewezen. Meer productie betekent dus niet automatisch meer economische vrijheid voor degene die produceert.

22.Een theoretische klasse kan eerst nuttige leverancier zijn en later mede bepalen hoeveel vraag naar zichzelf bestaat.

Een kleine regeldienst kan beginnen als efficiënte oplossing voor echte problemen. Als zij daarna zelf regels, toelatingseisen en controles mag uitbreiden, verandert haar positie. Het model laat daarmee zien hoe een nuttige functie zonder kwade bedoeling kan uitgroeien tot een zichzelf versterkende institutionele schil.

23.De slimste afroming laat de producent genoeg over om te blijven produceren.

Wie alles afneemt, vernietigt uiteindelijk zijn eigen bron van inkomsten. Duurzame extractie heeft daarom een bovengrens. Dat sluit rechtstreeks aan bij de gedachte van de stationaire bandiet: niet maximaal roven op één moment, maar structureel precies genoeg onttrekken om de bron in stand te houden.

24.Het meest succesvolle afroomsysteem voelt voor deelnemers niet als afroming.

Een stabiel systeem legitimeert zijn claims als noodzakelijk, deskundig, efficiënt, rechtmatig of vanzelfsprekend. Daardoor is de relevante vraag niet alleen wie betaalt, maar ook wie de taal en regels bepaalt waarmee die betaling wordt gerechtvaardigd.

De rode draad door alle stellingen is uiteindelijk dezelfde: niet vragen wie hard werkt, wie slim is of wie veel verdient, maar steeds teruggaan naar één simpele kwestie: waar komt de aanspraak op huidige of toekomstige productie vandaan, en zou die aanspraak ook bestaan als de producent werkelijk vrij was om ja of nee te zeggen?
“`
Previous Post Next Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*