833 Van werk naar kerk (3): klein model voor werken en afromen en bouwen van kerken en musea

Stiekem even tussendoor, tijdens de pauze zeg maar … Een concrete aanleiding en verwondering, dus helemaal vanuit mezelf, niks geen artikel of externe bron, sec. Dit weekend een prachtig en uniek bezoek mogen afleggen aan museum Boijmans in Rotterdam. Het hele spul wordt verbouwd en gerestaureerd en het is nog lang niet klaar (oplevering eind 2030 verwacht). De club ‘Parfum de Boem boem’ heeft het voor elkaar gekregen om ons gewone burgers onder begeleiding een tour te laten maken door de ingewanden van het van asbest ontdane museum. Wat een prachtig en enorm indrukwekkend gebouw is dit, geweldig houtwerk en metselwerk. Wat is als econoom dan altijd weer denk: hoe kan zoiets groots en duurs gebouwd worden, wie betaalt dat en hoe kan dat uit? Cultuurbarbaar ongetwijfeld. Je kunt zoiets alleen maar bouwen als er sprake is van een economisch surplus, je moet tijd en middelen overhouden naast de basale voorzieningen. Ik denk dan ook altijd aan de grote piramides en kathedralen die in tijden van armoede toch gewoon werden gebouwd. Verklaring is simpel: slavenarbeid of varianten daarvan. Een kleine elite roomde de boel af, nam het eigenaarschap over, eigende zich het surplus toe en ga zo maar door. Paradoxaal genoeg is het in deze tijden van veel grotere surplussen juist minder makkelijk om zulke enorme bouwwerken neer te zetten. Omdat mensen nu meer krijgen betaald, slavenarbeid in die zin niet meer bestaat, nou ja hier in Europa althans, nou ja dan toch in ieder geval anders dan toen.

Maar nog steeds krijgen de bouwvakkers of handwerkslieden minder betaald dan de beslissers en surplus-naar-zich-toe-trekkers. En dat is best raar, want zonder vakmensen (iedereen die een rol speelt bij de productie van eten en onderdak) kunnen we niet, terwijl we wel zonder beslissers en surplus-opslokkers kunnen. Dus hoe zit dat dan? Hoe heeft het zover kunnen komen, welke stappen zijn er gemaakt? Het is eigenlijk het 123 van de economie, die toch niet in de economieboekjes staat. Ik kan het me niet herinneren in ieder geval. Een iets ander maar gerelateerde ervaring, ook dit weekend, was mijn bezoek aan de voorstelling ‘Klei’ op de Bossche parade in de Brabanthallen. Ook daar vroeg ik me tijdens het bekijken van de in de modder woelende performers af, wie betaalt dat allemaal, hoe komt zoiets tot stand, van welk surplus gaat dat af en dan heb ik het nog niet over de paar honderd bezoekers die er inclusief reizen in totaal zo’n 1.000 uur aan kwijt zijn. Ja, een echte cultuurbarbaar, voor mij was het een kwelling en niet alleen omdat het in de plastic jasjes (voor het spatten van de klei) met deze hitte niet uit te houden was. Ik verbaas me dan over de prachtige interpretaties en zingevingen en duidingen van een paar mensen die in de klei rollen. Het is mij allemaal volledig ontgaan, wat was ik blij dat ik weer in de buitenlucht stond.

Anyways, voor mij was deze exercitie die ik ‘van werk naar kerk’ noem een thuiskomen. Als econoom moet dit voor mij niks nieuws zijn, maar zo voelt het niet. Eindelijk heb ik iets in handen waar ik al jaren naar zocht. Het ontstaan van surplus, van onrecht zo je wilt, in stappen uitgelegd. Voor leken te volgend, denk ik. Een onderbouwing van de verhalen van macht en rijkdom van mensen als Jos (JvH, @kanttekeningen). Eindelijk een hommage aan mijn overleden vader, die met zijn handen de houten betimmeringen deed van prestigieuze zeiljachten van voornamelijk Duitse miljonairs. Meer surplus-achtig kun je het niet krijgen! En veel thema’s komen terug in deze mini-reeks, zoals mijn verwondering hoe het kan dat we zoveel hoogopgeleiden (theoretisch geschoolden) hebben die meer verdienen terwijl we zonder de rapporten en adviezen zouden kunnen. Want wie vraagt er om die rapporten en wie is er bereid ervoor te betalen, hoe werkt dat? Alles komt weer neer op het ontstaan van dat surplus en wie het zich toe eigent of mag eigenen.

Ik heb 5 delen ‘van kerk naar werk’ gemaakt (na zorgvuldige redactie van de stapel output die de dialogen met AI met opleverde).

  • Deel 1 is de herformulering van de verwondering, waar komt het surplus vandaan. Dus hoe kunnen we kerken bouwen als we niet eens genoeg hebben om iedereen te laten eten?
  • Dan ga ik in deel 2 een klein economisch model ontwikkelen, we beginnen met de eisen of wensen die we in het model willen hebben.
  • In deel 3 presenteer ik het economische model en het verschijnen van 5 fasen van ontwikkeling in de economie.
  • In deel 4 presenteer ik een lijst met stellingen over afromen, surplus, afromen.
  • In deel 5 presenteer ik een zgn RSD-diagram die de uitkomsten visueel weergeeft


Het model in parameters en vergelijkingen

Nu de logica van het model staat, kunnen we hem terugbrengen tot een klein aantal parameters en eenvoudige vergelijkingen. Dat is belangrijk: het model moet geen ingewikkelde nabootsing van de werkelijkheid worden. Het moet juist zichtbaar maken welke aanname welk resultaat veroorzaakt.

We beginnen daarom met de kleinste mogelijke set variabelen.

1. De personen en groepen

Symbool Betekenis
N Totaal aantal inwoners.
P Aantal practici: mensen die in het nulmodel de noodzakelijke materiële productie verzorgen.
T Aantal theoretici: mensen die diensten leveren zoals administratie, regels, advies, planning en bestuur.
N = P + T

In ons simpele voorbeeld kunnen we steeds werken met:

N = 100     P = 50     T = 50

Die 50/50-verhouding is geen voorspelling of historische constatering. Het is alleen een handige uitgangspositie die later eenvoudig kan worden gewijzigd.

2. Materiële productie

Symbool Betekenis
q Materiële productie per practicus per periode.
Y Totale materiële productie.
c Minimaal noodzakelijk verbruik per persoon: eten, wonen, kleding, energie enzovoort.
Y = P × q

Dit is de eerste echte productie in het model.

Als iedere practicus bijvoorbeeld 2,4 eenheden produceert:

Y = 50 × 2,4 = 120

Maar deze 120 eenheden zijn nog niet automatisch over honderd mensen verdeeld. Dat zou al een institutioneel verdelingsmechanisme veronderstellen.

Productie zegt hoeveel er bestaat. Zij zegt nog niets over wie er recht op heeft.

3. Het fysieke surplus

Als alle inwoners uiteindelijk minimaal c nodig hebben, is voor reproductie van de samenleving nodig:

Cmin = N × c

Het maximaal beschikbare fysieke surplus is dan:

S = Y − (N × c)

Of ingevuld:

S = (P × q) − (N × c)

Bij:

P = 50,   q = 2,4,   N = 100,   c = 1

geldt:

S = 120 − 100 = 20

Die twintig betekent uitsluitend:

Er kan maximaal twintig aan productiecapaciteit worden vrijgemaakt voor iets anders dan het onmiddellijke levensonderhoud.

Het zegt nog steeds niet wie over die twintig mag beslissen.

4. Individueel surplus

Voor ieder individu kunnen we dezelfde simpele regel gebruiken:

si = yi − ci

waarbij:

  • yi = wat iemand ontvangt uit productie of ruil;
  • ci = wat die persoon consumeert;
  • si = wat hij overhoudt.

Als:

si > 0

is iemand een surplusser.

Dat kan een practicus zijn, maar vanaf fase 2 ook een theoreticus.

5. Vrijwillige vraag naar theoretische diensten

Symbool Betekenis
v De door de opdrachtgever ervaren waarde van één theoretische dienst.
wT De gevraagde vergoeding voor die theoretische dienst.
VT Totale vrijwillig gewaardeerde vraag naar theoretische diensten.
WT Totale werkelijk ontvangen vergoeding van theoretische diensten.

De eenvoudige marktregel is:

dienst wordt afgenomen als v ≥ wT

en:

geen vrijwillige vraag als v < wT

Een theoretische dienst kan dus heel waardevol zijn. Het model veronderstelt niet dat theoretisch werk waardeloos is. Het veronderstelt alleen dat de waarde ervan niet vooraf cadeau wordt gedaan.

De opdrachtgever moet bereid zijn ervoor te betalen.

6. De regeldienst

Ook een minimale overheid of regeldienst kan langs dezelfde meetlat worden gelegd.

Symbool Betekenis
L0 Verlies door conflicten, diefstal, wanorde of gebrek aan coördinatie zonder regeldienst.
L1 Resterend verlies nadat de regeldienst is ingevoerd.
WR Kosten/vergoeding van de regeldienst.

De waarde van de regeldienst is dan:

VR = L0 − L1

De practici zullen haar vrijwillig willen inhuren zolang:

WR ≤ VR

Bijvoorbeeld:

12 verlies zonder regels − 4 verlies met regels = 8 waarde

Dan mag de regeldienst maximaal 8 kosten voordat zij voor de opdrachtgevers economisch oninteressant wordt.

7. De afroomwig

Nu kunnen we het begrip afroming eenvoudig definiëren.

Stel dat de theoretische sector werkelijk ontvangt:

WT

terwijl de vrijwillige vraag slechts bedraagt:

VT

Dan noemen we het verschil:

A = max(0, WT − VT)

waarbij A staat voor de afroomwig.

Dus:

WT = VT + A

Bijvoorbeeld:

VT = 20
WT = 50

dan:

A = 50 − 20 = 30

Het model stelt vervolgens niet automatisch vast waarom die dertig bestaat. Het dwingt ons juist die vraag te stellen.

Mogelijke mechanismen zijn later bijvoorbeeld:

  • belasting;
  • eigendom;
  • pacht en huur;
  • rente;
  • monopolie;
  • verplichte afname;
  • vergunningen;
  • credentialisering;
  • informatie-asymmetrie;
  • misleiding;
  • of zelf gecreëerde regelgeving.
Als WT structureel groter is dan VT, moet er in het model een mechanisme bestaan dat het verschil verklaart.

8. Zelf gecreëerde vraag

Daarvoor kunnen we later nog een afzonderlijke parameter gebruiken:

Symbool Betekenis
DV Vrijwillige vraag naar theoretische diensten.
DZ Door regels of instituties zelf gecreëerde vraag.
DT Totale zichtbare vraag naar theoretische diensten.
DT = DV + DZ

Dit onderscheid is belangrijk. Een grote markt bewijst dan niet vanzelf dat er ook een grote oorspronkelijke maatschappelijke behoefte bestond.

9. Sparen

Symbool Betekenis
Ii Inkomen of ontvangen productierechten van persoon i.
Ci Consumptie van persoon i.
Si Besparing van persoon i.
Si = Ii − Ci

Als:

Si > 0

kan iemand zijn surplus bewaren of een claim op latere productie opbouwen.

De totale besparing van alle surplussers is:

Stot = Σ Si

10. Grote gebouwen en gezamenlijke projecten

Symbool Betekenis
K Benodigde materiële productiecapaciteit voor een groot project: kerk, brug, museum, hoofdkantoor enzovoort.

Een project is fysiek mogelijk als:

K ≤ S

Maar dat is niet voldoende. Er moet bovendien voldoende beschikkingsmacht worden samengebracht:

K ≤ Stot beschikbaar

Bij vrijwillig sparen:

K ≤ Σ Si

Daarmee wordt een groot gebouw dus mogelijk zonder afroming.

De relevante vraag is vervolgens:

Is het beschikbare K vrijwillig bijeengebracht, of beschikt iemand via een institutionele claim over het surplus van anderen?

11. Sparen door de tijd

Wanneer per periode een bedrag s wordt gespaard en we voorlopig geen rendement aannemen:

St = S0 + t × s

Bijvoorbeeld twintig mensen die ieder 0,2 per jaar sparen:

s = 20 × 0,2 = 4 per jaar

Na vijf perioden:

S5 = 5 × 4 = 20

Daarmee kan een project van maximaal twintig productie-eenheden worden besteld.

12. Krediet

Symbool Betekenis
L Hoofdsom van de lening.
r Rentepercentage per periode.
R Terug te betalen bedrag.
R = L × (1 + r)

Bij:

L = 2     en     r = 10%

wordt:

R = 2 × 1,10 = 2,2

De renteclaim bedraagt:

rL = 0,2

13. Productieve versus niet-productieve lening

Symbool Betekenis
ΔY Extra productie die dankzij de lening ontstaat.

Een lening kan de rente uit nieuwe productie dragen als:

ΔY ≥ rL

Bijvoorbeeld:

ΔY = 0,5     en     rL = 0,2

dan blijft voor de lener na betaling nog over:

0,5 − 0,2 = 0,3

Beide partijen kunnen erop vooruitgaan.

Maar bij een pure consumptieve lening of pechlening:

ΔY = 0

terwijl:

rL > 0

De rente kan dan niet uit extra productie komen.

extra claim schuldeiser = verlies aan toekomstig surplus schuldenaar

Dat is precies de koppeling met het eerdere model over rente in een economie zonder groei.

14. Claims op toekomstige productie

Na krediet bezit de spaarder niet alleen een goed, maar een vordering.

Symbool Betekenis
F Totale financiële of institutionele claims op toekomstige productie.

In de eenvoudigste vorm:

Ft+1 = Ft + nieuwe claims − afgeloste claims

Als ontvangen rente opnieuw wordt uitgeleend en alles wordt gekapitaliseerd:

Ft+1 = Ft × (1 + r)

Hier ontstaat dus voor het eerst een mogelijke groei van claims die niet één-op-één gelijk hoeft te lopen met de groei van de fysieke productie.

15. De fundamentele verhouding: claims tegenover productie

Daarvoor kunnen we uiteindelijk een simpele verhouding gebruiken:

claimdruk = F / Y

Hoe groter F wordt ten opzichte van Y, hoe groter het deel van toekomstige productie waarop al eerder aanspraken zijn gelegd.

Dit is nog geen oordeel over de legitimiteit daarvan. Het maakt alleen zichtbaar hoeveel van de toekomstige productie al institutioneel is geclaimd.

16. Wanneer spreken we binnen dit model van afroming?

Voor de hele exercitie kunnen we uiteindelijk één algemene vergelijking gebruiken.

Symbool Betekenis
Q Totale aanspraak die iemand op andermans productie krijgt.
V Waarde van de vrijwillig gevraagde tegenprestatie.
A Niet door vrijwillig gewaardeerde tegenprestatie verklaarde aanspraak: de afroomwig.
Q = V + A

Dus:

A = max(0, Q − V)

Daarmee kunnen theoretische diensten, rente, pacht, huur, belasting of andere claims uiteindelijk langs dezelfde meetlat worden gelegd.

Belangrijk: het model stelt niet dat iedere Q groter dan nul afroming is. Wie een dienst levert waarvoor vrijwillig voldoende wordt betaald, ontvangt een gewone tegenprestatie. Wie geld uitleent waarmee aantoonbaar extra productie ontstaat, kan rente uit die extra productie ontvangen. Het interessante deel begint pas waar de aanspraak groter wordt dan de vrijwillig gewaardeerde of nieuw gecreëerde tegenprestatie.

17. De vijf fasen in één formuleblad

Fase 1 — Productie
Y = P × q
S = Y − N × c

Eerst moet de samenleving fysiek meer kunnen produceren dan zij onmiddellijk nodig heeft.

Fase 2 — Vrijwillige diensten
afnemen als v ≥ wT
WT = VT + A

Zolang A = 0 wordt de theoretische sector volledig gedragen door vrijwillige vraag.

Fase 3 — Sparen en grote projecten
Si = Ii − Ci
K ≤ Σ Si

Door vrijwillig surplus te bundelen kunnen grote gebouwen en andere collectieve projecten ontstaan.

Fase 4 — Krediet
R = L × (1 + r)
productief als ΔY ≥ rL

Huidig surplus wordt omgezet in een claim op toekomstige productie.

Fase 5 — Opstapelende claims
Ft+1 = Ft + nieuwe claims − aflossingen
claimdruk = F / Y
A = max(0, Q − V)

Beschikkingsmacht kan nu steeds verder losraken van gelijktijdige eigen productie.

18. Alle parameters op één rij

Parameter Betekenis
NTotale bevolking.
PAantal practici.
TAantal theoretici.
qMateriële productie per practicus.
YTotale materiële productie.
cMinimaal noodzakelijk verbruik per persoon.
SFysiek maatschappelijk surplus.
siIndividueel surplus.
vWaarde van een dienst voor de vrijwillige opdrachtgever.
wTPrijs/vergoeding van een theoretische dienst.
VTTotale vrijwillig gewaardeerde theoretische diensten.
WTWerkelijke vergoeding van theoretische diensten.
DVVrijwillig ontstane vraag.
DZInstitutioneel of zelf gecreëerde vraag.
AAfroomwig.
KKosten in productie-eenheden van een groot project.
LLening.
rRentepercentage.
ΔYExtra productie als gevolg van een investering of lening.
FOpgebouwde claims op toekomstige productie.
QTotale aanspraak op andermans productie.
VVrijwillig gewaardeerde tegenprestatie tegenover die aanspraak.

De drie vergelijkingen om te onthouden

Wie alle details wil vergeten, kan het model uiteindelijk terugbrengen tot drie regels.

1. surplus = productie − noodzakelijk verbruik
2. vrijwillige dienst bestaat als waarde ≥ prijs
3. afroomwig = aanspraak − vrijwillig gewaardeerde tegenprestatie

De eerste regel verklaart waar er iets te verdelen valt.

De tweede verklaart hoe iemand die zelf geen noodzakelijke goederen produceert toch vrijwillig een deel van het surplus kan verdienen.

De derde dwingt ons te verklaren waarom iemand méér aanspraken krijgt dan uit vrijwillige ruil of aantoonbare nieuwe productie volgt.

Het hele model draait daarmee uiteindelijk niet om geld, maar om de vraag wie op welk moment een recht krijgt om over echte huidige of toekomstige productie te beschikken.
Previous Post Next Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*