842 De zoektocht naar de ideale hoofdtelefoonversterker

Weer begonnen? Nee, niet echt, nu een paar maanden afwezig, andere dingen doen, ben er nog niet uit, met AI gaat het maar door, iedereen gebruikt het, elke dag in het nieuws, ik durf bijna niet meer integraal de teksten over te nemen in het besef dat veel mensen kritisch meekijken en dat niet okay vinden, en snap dat ook weer goed. Maar toch, alles zelf intikken, worstelen met de volgorde en structuur, in de wetenschap dat AI daar in no-time een heldere en beter lopende tekst van maakt. Kijk, ik zit hier niet om mooie proza te schrijven, het is archief, tijdverdrijf, gedachten opslaan en bewerken, achteraf nalezen, patronen ontdekken, daar weer iets mee doen. Maar over die pauze: ik heb dus nog geen plan voor een vervolg.

Dat gezegd hebbende. Enkele maanden gelden liep ik op de zaterdagse markt in Rotterdam, we gingen die middag naar een voorstelling van ‘de boem-boem’ , en daar zag ik voor €10 een fraai onderhouden hoofdtelefoon-versterkertje staan van Creek, de OBH-11. Het wordt al snel technisch, toch even, een klasse-A ‘eindversterker’ met BD139/140 in de uitgang, aangestuurd door een opmap, een prima ontwerp dat goed zou moeten kunnen klinken. Benieuwd, eenmaal thuis, hoe dit zou klinken. Helaas zat er niet de voeding van 24V bij en dus moest ik zelf naar de rommel-la om iets te fabrieken. Het ding speelde meteen probleemloos en nog beter dan ik gehoopt had. Ik heb in mijn leven minimaal een 5-tal hoofdtelefoon-versterkers gemaakte en gekocht, en na vele jaren zonder hoofdtelefoon te hebben geleefd, misschien speelt dat een rol, vond ik de luisterervaring met dit ding en mijn good-old Sennheiser HD580 weer geweldig plezierig en ontspannen.

Dit is hem dan, Engels fabrikaat, ooit een tuner van Creek gehad, een van de betere die ik beluisterd heb, dit is simpel, compact en zal destijds iets rond de €150-200 gekost hebben. Aan de ingang sluit je de bron aan (streamer, Squeezebox etc) en voorop je Sennheiser, luisteren maar. Met de pot regel je het volume, zonder kraken en niks meer aan doen.

Dan de volgende stap die nodig is voor dit verhaal. Op Marktplaats iemand die 3 producten ‘in bulk’ aanbiedt van het Amerikaanse niche-merk Audio Alchemy, één DAC (digitale omzetter) en twee (!!) voorversterkers. Bieden vanaf €60 …. Dat moet een geintje zijn maar ik doe gewoon voor de lol een bod van diezelfde €60. Aantal weken later een reactie: of mijn bod serieus is. Ik schiet direct in de verdediging: nou ja, sorry voor mijn bod, ik dacht voor de gein, je kunt ook een minimum-prijs invoeren als je dit een belediging vindt’. Omdat er verder niemand had gereageerd was de vraag anders bedoeld: of ik hem wilde hebben voor €60? Nou hup dan maar, voor de stapel, lekker hobby-en. Want er zat geen voeding meer bij (alweer! waar blijven al die dingen toch?) en het had al heel lang niet gespeeld. Ook hier weer zelf een voedingkje in elkaar geknutseld van simpele muurpluggen van €2.99 per stuk, wel wat lastiger dan de voeding van de Creek, eigenlijk een aparte blog waarde, op de to-do list. De kabel van de voeding gekocht bij de Action want heel apart ging het om een mini-jack ingang die we vaak terug zien bij hoofdtelefoons en ook op je mobiel passen (of pasten). Dus de voeding kostte met met verzendkosten erbij ruim €10, niet slecht.

Zowel de DAC (met de Philips bitstream converter van de 1e generatie, ben ik fan van) als de pre-amp konden op dezelfde voeding. Ik zal hier een aantal tussenstappen overslaan maar na wat prutsen werkte het hele spul zonder problemen en wat een nostalgie weer. Ooit heeft iemand hier veel geld voor neergeteld en hopelijk al jaren van genoten.

Bovenop de DAC met Philips 1-bit omzetter. Bijzonder is dat je de absolute fase kunt omdraaien. Daaronder de nog veel bijzonderdere DLC preamp. Wat een originaliteit voor die tijd! Er zit geen enkele knop op, je kunt hem niet eens aan/uit zetten, geen volume, geen bron, niks kun je instellen. Daarvoor heb je een aparte remote jaar 0 nodig (zo’n steen) die het uiteraard niet meer deed want batterijen aangekoekt, ook moeten herstellen. Maar ook dit ding is puur genot, het volume is zeer precies in kleine stapjes in te stellen, per bron (4 ingangen) zelfs apart in het geheugen. Qua klank .. neutraal, zie het als een wat ingewikkelde variant van een ouderwetse potmeter met ingangs-schakelaar.

Nog steeds heb ik mijn punt niet kunnen maken. Door al deze spullen ben ik weer aan het experimenteren geslagen en dingen aan het vergelijken vooral op mijn hoofdtelefoon(s). Tot ik me bedacht dat ik nog een hele goede klasse-A zelfbouw ergens had staan. Wat was dat ook alweer? Ik kon het schema en artikel niet meer vinden en ging bij AI te rade. De bedenker van dat ontwerp is niet meer te vinden, zijn site is verdwenen. Maar AI vond een artikel uit een Amerikaans Audio-blad geschreven door een Nederlander die met dat ontwerp aan de gang is gegaan. En …. nu wordt het bijzonder .. hij vond een interessante discussie op een zelfbouw-forum en AI vroeg zich af of ik het niet zelf was van die discussie? Verdomd, inderdaad, dat was ik zelf. De audio-grootheid Nelson Pass heeft me daar zelfs geholpen en van advies voorzien. En hoe eens even, die Nederlanders van dat Amerikaanse blad, die naam kende ik: Aren van Waarde. Hij heeft ooit een ontwerp van mijn hand gebouwd en daar in datzelfde blad jaren eerder een artikel over geschreven. Waardoor die versterker (mijn ontwerp dus) later bekend is geworden als de ‘Van Waarde’-amp. Nog weer later is de versterker door Chinese Ali-achtige bedrijven in vele varianten op de markt gebracht.

AI heeft, en dat is het onderwerp vandaag, mijn eigen geheugen opgefrist en een reconstructie gemaakt van een deel van mijn audio-verleden. Ook is de historie van dat ontwerp door AI gereconstrueerd. Het klopt niet op alle punten (vind ik, ik mag dat zeggen, was er zelf bij) maar ik vind het voor mezelf heel waardevol. Het thema van deze site waar dit bij past is: van uitvinders wordt gejat, iets gaat een eigen leven leiden, de bedenker raakt op de achtergrond. Zo dramatisch is het niet, AI wijst er heel genuanceerd op dat Aren mijn naam heeft genoemd, het is meer een eigenschap van ‘de markt’ waardoor het gaat zoals het gaat.


1. Het begon niet met een schakeling, maar met een vraag

Hoe maak je een versterker die zo weinig mogelijk tussen de muziek en de luisteraar staat? Dat lijkt de rode draad van mijn zoektocht te zijn geweest. Niet maximale uitgangsvermogens, spectaculaire meetwaarden of ingewikkelde elektronische oplossingen, maar eenvoud. Liever drie goed gekozen actieve componenten dan twintig die elkaars tekortkomingen moeten corrigeren. En steeds opnieuw dezelfde vragen: wat doet een uitgangstransformator met het geluid? Wat hoor je van een koppelcondensator? Wat is het effect van tegenkoppeling? Is een single-ended versterker, die technisch gezien vaak niet de beste papieren heeft, misschien muzikaal toch interessanter? Bijzonder is dat die zoektocht achteraf veel systematischer blijkt te zijn geweest dan de afzonderlijke experimenten destijds misschien deden vermoeden. Ik begon bij buizen, raakte gefascineerd door transformatorloze schakelingen, ontdekte de beperkingen van de gebruikte onderdelen en ging vervolgens op zoek naar steeds eenvoudigere oplossingen. Uiteindelijk kwam ik zelfs weer bij transistoren terecht, waar ik jarenlang weinig vertrouwen in had gehad. De oude internetpublicaties maken het mogelijk de gedachtegang terug te vinden.

Het Japanse Stax is een legende in hoofdtelefoons-land. Bekend van elektrostatische varianten die aangedreven worden door speciale units die de hoogspannig leveren voor de membranen. Quad had dit principe voor luidsprekers in het groot (de Quad ESL-57 bijvoorbeeld). Een normale luidspreker en hoofdtelefoon werkt met ‘gewone speakers’ waar een magneet een stuk papier of plastic in trilling brengt.

2. 1994 — De elektrostatische hoofdtelefoon als referentie

In 1994 bouwde ik een buizenversterker voor mijn elektrostatische hoofdtelefoons: een Stax en een Micro-Seiki MX-5. Het ontwerp was afkomstig van Joseph Curcio, die zijn schakeling in 1988 in Glass Audio had gepubliceerd. Deze versterker was volledig met buizen opgebouwd en werkte zonder uitgangstransformator. Het resultaat beviel me zo goed dat ik eigenlijk niet meer naar gewone dynamische hoofdtelefoons luisterde. Daar ontstond het volgende probleem. Wilde ik elektrostatische en dynamische hoofdtelefoons eerlijk kunnen vergelijken, dan moest ik ook voor de dynamische exemplaren een uitstekende versterker hebben. In mijn later op HeadWize gepubliceerde eigen beschrijving formuleerde ik mijn uitgangspunten heel expliciet: buizen, geen uitgangstransformator en eenvoud. Dat waren geen willekeurige eisen. Buizen waren mijn vertrouwde terrein. Het weglaten van de transformator moest een mogelijke bron van vervorming en kleuring elimineren. En eenvoud betekende zo min mogelijk onderdelen in de signaalweg. De zoektocht naar een goede hoofdtelefoonversterker was begonnen.

3. 1994–1995 — De Futterman: technisch ambitieus en bijna compromisloos

Ik had inmiddels ervaring met OTL-versterkers (Output TransformerLess). In 1994 publiceerde ik in Audio & Techniek een buizen-OTL voor gewone 8-ohmsluidsprekers, met een EF86, ECC81 en 6336A. Voor de hoofdtelefoon koos ik vervolgens een ontwerp volgens het principe van Julius Futterman. Het uitgangspunt ging nu een stap verder: niet alleen de uitgangstransformator moest verdwijnen, maar bij voorkeur ook de uitgangscondensator. Dat was technisch een veel lastiger opgave. De schakeling gebruikte twee ECC88’s per kanaal. Eén triode verzorgde de spanningsversterking, een tweede werkte als fasedraaier en de twee resterende triodes vormden de SEPP-uitgangstrap. De uitdaging was dat beide helften van die uitgangstrap niet op dezelfde manier versterken. De fasedraaier moest daarom twee tegengestelde signalen leveren met de juiste, onderling verschillende amplitudes. Daarmee was het bepaald geen eenvoudige schakeling meer. Ook de symmetrische hoogspanningsvoeding werd ingewikkelder. Het resultaat werkte echter meteen. Ik bouwde de versterker in 1994, publiceerde het schema in 1995 en heb er naar eigen zeggen zeker zeven jaar met plezier naar geluisterd. Er zat één belangrijk voorbehoud aan: de gelijkspanning op de direct gekoppelde uitgang kon tientallen millivolts verlopen. Ik gebruikte die uitgang daarom uitsluitend voorzichtig en kortstondig. De via een condensator gekoppelde uitgang was praktischer en veiliger. Achteraf zat daarin al een interessante tegenstelling. In mijn poging álle condensatoren en transformatoren uit de signaalweg te verwijderen, had ik een behoorlijk ingewikkelde versterker gebouwd. De zuiverheid van het oorspronkelijke uitgangspunt botste met de aantrekkelijkheid van eenvoud.

Bron: Mijn oorspronkelijke Futterman-artikel, bewaard op HeadWize Memorial.

Een voorbeeld van iemand die mijn OTL-ontwerp met ECC88 en 6AS7/6080 heeft gebouwd. De koptelefoon die ernaast ligt is toevalligerwijs ook een Sennheiser HD580.

4. 1995 — Het andere uiterste: ECC88 plus 6AS7

In hetzelfde jaar publiceerde ik nog een opmerkelijk ontwerp. Dat was juist een oefening in verregaande vereenvoudiging. Waarom een complete Futterman bouwen als het misschien ook met twee dubbeltriodes voor stereo kon? De schakeling bestond uit een ECC88 als spanningsversterker en een 6AS7G als kathodevolger. Per kanaal werd slechts één helft van iedere buis gebruikt. De twee versterkertrappen waren direct gekoppeld en er was geen globale tegenkoppeling. Een uitgangstransformator ontbrak. Wel was een condensator tussen de uitgang en de hoofdtelefoon noodzakelijk.

Dat laatste was natuurlijk een concessie ten opzichte van de Futterman. Maar daar stond enorm veel eenvoud tegenover. Twee buizen, een overzichtelijke schakeling, weinig onderdelen en een uitgangstrap die dankzij de 6AS7 voldoende stroom kon leveren voor relatief laagohmige hoofdtelefoons. De publicaties verschenen volgens Aren van Waarde in de april- en septembernummers van Audio & Techniek van 1995. Hij beschreef mijn schema later als een schakeling waarvan destijds nog niet gegarandeerd was dat ze goed zou functioneren. Dat maakt ook duidelijk dat het oorspronkelijke artikel kennelijk vooral een ontwerpvoorstel was. Hier moet ik bij de reconstructie onderscheid maken tussen beide ontwerpen uit 1995: de Futterman heb ik zelf aantoonbaar gebouwd en langdurig beluisterd. Voor de eenvoudige ECC88/6AS7 staat vast dat ik het schema publiceerde, maar de precieze bouw- en testgeschiedenis van mijn eigen exemplaar is nog niet vastgesteld.

5. Aren van Waarde — Mijn versterker krijgt een tweede leven en een andere naam

Op een gegeven moment bouwde Aren van Waarde mijn eenvoudige ECC88/6AS7-versterker, zonder dat ik daarvan op de hoogte was. Hij was zelf al een ervaren audiobouwer. Zijn transistorhoofdtelefoonversterker beviel hem redelijk, maar hij wilde weten of een buizenschakeling beter zou klinken. Mijn ontwerp trok zijn aandacht door de combinatie van eenvoud, single-ended bedrijf, directe koppeling en het ontbreken van globale tegenkoppeling. Hij voegde een volumeregelaar en een roosterstopweerstand toe en vergrootte de uitgangscondensator van 100 naar 220 µF. Hij testte vervolgens het prototype uitvoerig, met onder meer cd en analoge band als signaalbronnen. Tot zijn eigen verrassing bleek het uitstekend te klinken. Zijn verslag is bijna een aanbevelingsbrief voor het oorspronkelijke ontwerp. Hij roemt de ruimtelijke weergave, de dynamiek, de detaillering en het natuurlijke karakter. In vergelijking met zijn transistorversterker ervaart hij de buizenversterker als minder hard en mechanisch. Hij vermeldt mijn naam en de oorspronkelijke artikelen nadrukkelijk. Er is dus geen sprake van een publicatie waarin mijn betrokkenheid wordt verzwegen. Maar daarna gebeurt iets merkwaardigs. Aren publiceert zijn eigen bouwbeschrijving, met voeding, bouwervaringen en luisterindrukken. Internationaal wordt die beschrijving opgepikt, en gaandeweg gaat de schakeling door het leven als de Van Waarde amplifier. De oorspronkelijke ontwerper verdwijnt naar de achtergrond. Degene die het ontwerp heeft nagebouwd, beschreven en internationaal verspreid, geeft er onbedoeld zijn naam aan. Ik wist destijds niet van zijn bouwproject. Pas vele jaren later ontdekte ik hoe mijn schakeling een internationale reputatie had opgebouwd. Dat is een eigenaardig gevoel: iets wat je ooit op papier hebt gezet, blijkt een eigen leven te zijn gaan leiden, inclusief een nieuwe naam.

Bron: Aren van Waarde — A Single-Ended OTL Amplifier for Dynamic Headphones.

Het bewuste tijdschrift waarvan ik het bestaan tot gisteren niet wist. Hier schrijft Aren van Waarde, eerder al aan de haal gegaan met mijn andere ontwerp, een artikel over de Rudi Stor versterker, een ontwerp waar ook al eerder over geschreven had, weliswaar niet in een blad maar op een forum, maar dat telt ook. En ha, wel samen met Nelson Pass. Overigens, leuk weetje, paar jaar later heb ik een eindversterker van Pass gebouwdhttps://www.passdiy.com/gallery/projects/121/rudy-van-stratumamini-p6 en hem daar een foto van gestuurd, en die is de gallerij van hem terecht gekomen.

6. 1997–2001 — Terug naar transistoren: Hiraga, JLH en de 2N3055

Ondertussen speelde zich een tweede ontwikkeling af. Ik was jarenlang vooral geïnteresseerd geweest in buizen. Toch waren er enkele transistorversterkers die mijn aandacht vasthielden. Eén daarvan was de beroemde 20-wattklasse-A-versterker van Jean Hiraga. Ik bouwde verschillende uitvoeringen, met uiteenlopende instellingen en componenten. Ook de Musical Fidelity A1 had indruk gemaakt, maar de Hiraga was een bijzonder referentiepunt geworden. In 1997 ontving ik van een vriend een artikel over de versterkers van John Linsley Hood, oorspronkelijk ontworpen in 1969. Wat mij vooral aansprak, was de eenvoud. Slechts vier transistoren, gewone betaalbare onderdelen en een pure klasse-A-instelling. Ik bouwde de oorspronkelijke JLH met onder andere Motorola 2N3055’s, een forse dubbele voeding en maar liefst drie Sprague-elco’s van 40.000 µF per kanaal. Het resultaat werkte meteen. Dat betekent overigens niet dat de zoektocht afgelopen was. Ik probeerde verschillende uitgangscondensatoren, weerstanden, transistoren en transformatoren. De Roederstein-elco van 4.700 µF beviel bijzonder goed. Een kleine weerstand in de collectorleiding van de bovenste 2N3055 bleek eveneens invloed te hebben op de klank, zonder dat ik precies kon verklaren waarom. Mijn luisterindruk was genuanceerd. De JLH klonk vloeiend, vol en natuurlijk, met prachtige stemmen en piano. Maar soms ook wat traag en dik. De Hiraga was opener en sneller, maar miste in mijn oren iets van die bijzondere middenweergave. Het verklaart waarom ik niet bij een van beide ben blijven steken. In 1998 publiceerde ik in Audio & Techniek het artikel Transistors for the Tubelover, waarin ik zeven klassieke transistorontwerpen besprak. Dat artikel inspireerde onder anderen een Nederlandse bouwer die op zijn website de verdere ontwikkeling van zijn JLH documenteerde. We kwamen met elkaar in contact en gingen experimenteren met het verwijderen van de uitgangscondensator. Dat bracht nieuwe problemen: een symmetrische voeding, brom, DC-offset en lastige stabilisatie. Uiteindelijk bracht een discussie op DIYaudio, waarin Geoff Moss ons hielp, de oplossing dichterbij. Een extra voedingsfilterweerstand bleek een cruciaal verschil te maken. Dat werk werd beschreven onder de toepasselijke titel The Evolution. In 2001 schreef ik op verzoek van Geoff Moss een uitgebreid Engelstalig artikel over mijn JLH-experimenten: A Dutch Journey in JLH-land. Hier zie je dat ik inmiddels geen geïsoleerde Nederlandse zelfbouwer meer was. Mijn ideeën, experimenten en ervaringen maakten deel uit van een internationale uitwisseling.

Bronnen: A Dutch Journey in JLH-land en The Evolution — samenwerking rond de condensatorloze JLH.

Heeft niks met hoofdtelefoons te maken. Het is het beruchte JLH-ontwerp eindversterker uit 1969 maar dan een Chinese Ali-kloon. Zo’n print koop of kocht je inclusief onderdelen voor luttele tientjes. Dit ding werd bloedheet, verstookte vermogen, in een tijd dat ik nog niet keek naar wat een kwh kostte. Het ontwerp van Rudi Stor heeft hier wel wat van weg.

7. Rond 2000–2002 — HeadWize wordt een internationaal laboratorium

In de tussentijd was ook de hoofdtelefoonwereld veranderd. Met HeadWize, het project van Chu Moy, ontstond een internationale verzamelplaats voor hoofdtelefoonliefhebbers en zelfbouwers. Niet langer hoefde je maanden te wachten op een tijdschriftartikel. Ontwerpers konden rechtstreeks schema’s uitwisselen, discussiëren over componentwaarden en hun experimenten publiceren. Mijn Futterman-ontwerp kwam op HeadWize terecht, maar ik was ook betrokken bij een ander bekend ontwerp: de Morgan Jones Mini Tube Headphone Amplifier. Dit is een nieuwe vondst in de reconstructie. In het HeadWize-artikel worden namelijk twee voedingen beschreven die ik voor een uitvoering van de Morgan Jones-versterker had ontworpen. Eén daarvan gebruikte LC-filtering, de andere een meertraps RC-filtering. De voedingstrafo’s waren onderdelen die ik al had liggen: 250 V/50 mA en 6,3 V/2 A. Het artikel vermeldt dat ik voor de tweede voeding extra filtering toevoegde, omdat de brom hoofdzakelijk uit de ingangstrap kwam. Dat klinkt als een typisch praktisch experiment: niet een geheel nieuw ontwerp bedenken, maar kijken waar het probleem werkelijk vandaan komt en dat oplossen. Mijn bijdragen werden op 3 juni 2002 aan het HeadWize-artikel toegevoegd. Daarmee staat vast dat ik op dat moment ook daadwerkelijk een geoptimaliseerde Morgan Jones-versterker had gebouwd. Tegelijkertijd werkte ik kennelijk in een gemeenschap waarin ontwerpers als Alex Cavalli en John Broskie zich bezighielden met de theorie en optimalisatie van dergelijke buizenschakelingen. De zoektocht was inmiddels verschoven van zelf bouwen naar gezamenlijk ontwerpen en verbeteren.

Bron: HeadWize — Morgan Jones, inclusief mijn voedingsschema’s.

8. Augustus 2002 — Het kleine wonder van Rudi Stor

En dan komt de versterker die bijna vijfentwintig jaar later de aanleiding vormt voor deze reconstructie. Op de website van de Italiaanse ontwerper Rudi Stor vond ik de AR-3: een single-ended klasse-A-hoofdtelefoonversterker met maar drie transistoren per kanaal. Eén BC109 en twee 2N3055’s. Het ontwerp was bijna provocerend eenvoudig. Dat zoiets werkelijk goed zou kunnen klinken, leek me aanvankelijk onwaarschijnlijk. Toch bouwde ik hem, meer uit nieuwsgierigheid dan uit overtuiging. En het resultaat verraste me enorm. Op 16 augustus 2002 schreef ik onder de gebruikersnaam rmgvs op DIYaudio dat dit de eerste transistorhoofdtelefoonversterker was die me werkelijk fascineerde. Ik had inmiddels verschillende referenties beschikbaar: eigen buizenversterkers, Morgan Jones, Futterman, Musical Fidelity en natuurlijk de grote transistorversterkers Hiraga en JLH. De AR-3 klonk opmerkelijk goed op Grado’s, Sennheisers, AKG’s en Sony’s. Met zijn bescheiden uitgangsvermogen van ongeveer 50 milliwatt was hij bedoeld voor hoofdtelefoons. Maar ik had ook Klipsch-luidsprekers in huis, en uit nieuwsgierigheid sloot ik die erop aan. Ook dat viel helemaal niet tegen. De volgende stap lag voor de hand. Als vijftig milliwatt zo goed klonk, wat zou er dan gebeuren wanneer ik dezelfde schakeling geschikt maakte voor een paar watt?

Mijn eigen ontwerpcriteria uit 2002

Dit is misschien wel het belangrijkste teruggevonden document, omdat ik mijn eisen destijds zelf opschreef.

  • Vermogen: 1–5 watt, liefst 5 watt.
  • Ingangsimpedantie: minimaal 33 kΩ.
  • Gevoeligheid: ongeveer 1 V RMS of meer.
  • Maximaal twee versterkende trappen.
  • Alleen bipolaire transistoren, geen FET’s of MOSFET’s.
  • Klasse A, single-ended, zonder globale tegenkoppeling.

Eigenlijk was ik opnieuw op zoek naar de absolute eenvoud die me in 1995 tot de ECC88/6AS7 had gebracht, maar ditmaal volledig met transistoren. Ik verhoogde de ruststroom tot ongeveer 1,25 ampère en gebruikte een emitterweerstand van 8,2 ohm/50 watt. De voeding bedroeg circa 20–25 volt. De versterker leverde toen ongeveer 0,75 watt. Ik was enthousiast. In mijn eigen woorden klonk hij beter dan mijn Hiraga en JLH en kon hij zich meten met de betere buizenversterkers. Maar vervolgens herhaalde zich een bekend patroon: méér vermogen bleek niet hetzelfde als méér kwaliteit. Door weerstandswaarden te veranderen en andere ingangstransistoren te proberen, wist ik het vermogen tot ongeveer 3 watt op te voeren. Alleen was het bijzondere geluid verdwenen. Na meer dan een maand experimenteren keerde ik terug naar een van mijn eerste uitvoeringen, met ongeveer 1 watt uitgangsvermogen. Dat was het compromis waarmee ik tevreden kon leven. Mijn vraag aan de internationale gemeenschap was vervolgens of iemand deze schakeling naar 5 watt kon brengen zonder het bijzondere karakter te verliezen.

Bron: Mijn DIYaudio-discussie van 16 augustus 2002 — Simplest amplifier possible with BJT’s?.

9. Nelson Pass reageert op mijn uitdaging

Twee dagen na mijn openingsbericht mengde Nelson Pass zich in de discussie. Hij nam de uitdaging aan om een extreem eenvoudige bipolaire transistorversterker te bedenken. Hij stelde een eigen tweetransistorschakeling voor en adviseerde transistoren met een hoge stroomversterking te selecteren. De discussie werd vervolgens meteen technisch. John Law wees erop dat de gekozen waarden waarschijnlijk onvoldoende basisstroom konden leveren aan de uitgangstransistor en dat de ingangsimpendantie aanzienlijk lager zou uitvallen dan mijn gewenste 33 kΩ. Nelson erkende die kritiek. Daarna volgde een hele reeks voorstellen, varianten, simulaties en experimenten van andere deelnemers. Wat me achteraf treft, is hoe vanzelfsprekend die uitwisseling verliep. Een Nederlandse amateur stelt een vraag over een eenvoudige versterker, een internationaal bekende ontwerper reageert met een schema, en anderen rekenen het voorstel door en proberen het te verbeteren. Het ging niet om prestige, maar om nieuwsgierigheid. In januari 2003 publiceerde ik bovendien twee eigen prototypeschema’s in dezelfde discussie. Die bijlagen staan nog altijd in het forum vermeld. En de discussie liep verder dan ik me herinnerde. In december 2005 plaatste ik nog een beschrijving van een latere AR-3-variant, met 25 volt voeding, circa 1 ampère ruststroom en een weerstand van 6,8 ohm. Ik schreef toen dat iemand anders inmiddels met het apparaat speelde. Dat is een klein maar veelzeggend detail. De versterker was niet slechts een tijdelijk experiment geweest. Hij had ook daarna nog een leven gehad.

10. Juni 2003 — Daar is Aren van Waarde weer

En dan volgt de merkwaardigste samenloop. In juni 2003 verschijnt in het Amerikaanse tijdschrift audioXpress een artikel van Aren van Waarde over een minimalistische klasse-A-transistorversterker. In de inleiding schrijft hij dat hij op de website van Rudi Stor een interessante schakeling vond: een single-ended hoofdtelefoonversterker met één BC109 en twee 2N3055’s per kanaal. Precies het ontwerp waarmee ik in augustus 2002 op DIYaudio experimenteerde!

Het artikel uit audioXpress, juni 2003, waarin Aren van Waarde de schakeling van Rudi Stor onderzoekt.

Aren beschrijft dat hij het schema aanvankelijk nauwelijks serieus nam. Hij voerde de gegevens in een simulatieprogramma in en onderzocht hoe de versterker zich gedroeg. Net als bij de ECC88/6AS7-versterker van acht jaar eerder raakte hij geïntrigeerd door een ontwerp dat door zijn eenvoud tegen de heersende opvattingen over goede versterkers inging. Het artikel is terug te vinden in audioXpress, juni 2003. De tekst van de inleiding is teruggevonden, maar de volledige technische uitwerking en alle schemadetails heb ik nog niet gecontroleerd. Voor zover de nu gevonden bronnen laten zien, had ik geen directe betrokkenheid bij dit artikel. Dat Aren mijn experimenten op DIYaudio kende, staat evenmin vast. En toch is het bijna komisch. Eerst publiceer ik in 1995 een minimalistische buizenversterker. Aren bouwt die na, schrijft erover en zijn naam raakt aan het ontwerp verbonden. Dan ontdek ik in 2002 een minimalistische transistorversterker van Rudi Stor. Ik bouw hem, experimenteer uitvoerig en publiceer mijn ervaringen op DIYaudio. En een jaar later schrijft Aren over datzelfde ontwerp. Twee keer dezelfde belangstelling voor extreme eenvoud. Twee keer dezelfde auteur die het ontwerp verder onderzoekt en publiceert. En ik ontdek deze tweede publicatie pas in oktober 2026, terwijl ik op zoek ben naar het verdwenen AR-3-schema. Of Aren destijds wist dat ik met dezelfde versterker experimenteerde, blijft een open vraag.

11. 2003 en later — Mijn ontwerpen worden verbeterd door anderen

Intussen gebeurde er nog iets met mijn eigen Futterman-ontwerp. Op 3 maart 2003 publiceerde Alex Cavalli een geoptimaliseerde uitvoering op HeadWize, gebaseerd op zijn simulaties en het werk van John Broskie. Cavalli ontdekte onder meer dat een andere aansluiting van de fasedraaier op de SEPP-uitgangstrap de uitgangsimpedantie aanzienlijk kon verlagen. Hij berekende voor de oorspronkelijke configuratie ongeveer 300 ohm en voor de aangepaste verbinding ongeveer 65 ohm. Bovendien stelde hij wijzigingen voor om de ruststromen van beide uitgangstransistoren — in dit geval natuurlijk buizentriodes — beter in balans te brengen. Hier werd de internationale DIY-gemeenschap een soort gezamenlijk ontwerpbureau. Mijn oorspronkelijke idee werd niet alleen nagebouwd, maar ook kritisch doorgerekend en verder ontwikkeld. Hetzelfde zag je bij de Morgan Jones, JLH en AR-3. Er was niet één definitieve schakeling. Ieder ontwerp werd een vertrekpunt voor nieuwe experimenten. Dat past bij de manier waarop ik destijds werkte: vergelijken, luisteren, wijzigen en vervolgens opnieuw luisteren. De technische berekeningen en simulaties hielpen, maar de ervaring met de gebouwde versterker bleef voor mij doorslaggevend.

12. Van Nederland naar China — De ECC88/6AS7 gaat de wereld over

De eenvoudigste van mijn twee buizenontwerpen uit 1995 kreeg misschien wel het opmerkelijkste vervolg. In de jaren daarna verschenen er allerlei commerciële uitvoeringen en bouwsets, onder andere uit China. Een concreet teruggevonden voorbeeld is de Weiliang Audio Qingfeng E-100.

In 2015 beschrijft een Taiwanese audioliefhebber zijn ervaringen met deze versterker. Hij legt uit dat het ontwerp is gebaseerd op mijn schakeling uit 1995 en noemt mij expliciet als oorspronkelijke ontwerper. Dat is interessant, omdat mijn naam daarmee na twintig jaar aan de andere kant van de wereld nog steeds aan het ontwerp verbonden blijkt te zijn. Het laat ook zien hoe de verspreiding zich ontwikkelde. Eerst was er een Nederlands tijdschriftartikel. Vervolgens kwam de Engelse bouwbeschrijving van Aren. Via HeadWize en andere audiowebsites verspreidde de schakeling zich internationaal. Andere bouwers maakten hun eigen versies, en uiteindelijk verschenen er professioneel vervaardigde printplaten, voedingen, behuizingen en complete bouwsets. Ik heb in deze reconstructie één Chinees commercieel product concreet kunnen documenteren. Van de meerdere volledig afgemonteerde fabrieksuitvoeringen die ik me herinner, moeten de afzonderlijke typen en fabrikanten nog worden geïdentificeerd.

Bron: Taiwanese bouwbeschrijving van de Qingfeng E-100, juli 2015.

13. Oktober 2026 — De cirkel sluit zich

En dan, bijna een kwart eeuw na de experimenten met de AR-3, begint de zoektocht opnieuw. Maar deze keer niet naar een betere versterker. Ik ben het schema kwijt. Ik herinner me een Italiaanse ontwerper, een eenvoudige klasse-A-schakeling, 2N3055’s en een bouwproject ergens rond 2002. De oorspronkelijke website is verdwenen. De naam van de ontwerper is gelukkig blijven hangen: Rudi Stor. Een zoekactie leidt naar DIYaudio, waar mijn eigen berichten uit augustus 2002 nog volledig leesbaar zijn. Daar staan de ontwerpcriteria, de gekozen componenten, de ruststroom, mijn luisterervaringen en de teleurstelling toen het vergroten van het vermogen ten koste ging van het geluid. Er staan zelfs reacties van Nelson Pass en de later door mij geplaatste prototypeschema’s. Vervolgens duikt het artikel van Aren van Waarde uit juni 2003 op. En daarmee komen ook de veel oudere publicaties uit 1995 opnieuw in beeld. De ECC88/6AS7, de Futterman, de Chinese bouwsets en het internationale succes van een versterker die inmiddels bekendstaat onder de naam van iemand anders. Wat begon als een zoektocht naar één verdwenen transistorversterkerschema, is zo onbedoeld een reconstructie geworden van een hele periode uit mijn leven. Niet alles is verdwenen. Het meeste ligt alleen verspreid over websites, archieven, tijdschriften en oude discussies.

13. Wat was eigenlijk de logica achter die hele zoektocht?

Als ik deze vijfentwintig jaar teruglees, zie ik steeds vier terugkerende principes. Eenvoud boven ingewikkeldheid. Niet omdat een eenvoudige versterker vanzelf beter klinkt, maar omdat ieder onderdeel een functie moet hebben. Alles wat niet strikt noodzakelijk is, wordt verdacht. Zo min mogelijk onderdelen in de signaalweg. Uitgangstransformatoren, condensatoren en globale tegenkoppeling werden niet op voorhand als slecht bewezen beschouwd, maar ik wilde onderzoeken wat er gebeurde als ik ze wegliet. Technische zuiverheid en muzikale kwaliteit bleken daarbij niet altijd dezelfde kant op te wijzen. Luisteren én experimenteren. De theoretische verklaring was belangrijk, maar niet beslissend. Een schakeling die op papier weinig indrukwekkend leek, kon in de praktijk verrassend goed klinken. En een aanpassing die meer vermogen of betere meetwaarden opleverde, hoefde niet mooier te klinken. Geen definitieve oplossing. Iedere versterker riep nieuwe vragen op. De Futterman was elegant maar ingewikkeld. De ECC88/6AS7 was eenvoudig maar had een uitgangscondensator. De JLH had een prachtig middengebied maar klonk soms traag. De Hiraga was transparanter, maar miste voor mij iets van de muzikale vanzelfsprekendheid. De AR-3 leverde vrijwel geen vermogen, maar was toch buitengewoon overtuigend. Het opvallende is dat deze experimenten niet eindigden met één perfecte versterker. Misschien bestond die ook helemaal niet. De zoektocht zelf was minstens zo interessant als het uiteindelijke apparaat.

Epiloog — Van wie is een ontwerp eigenlijk?

Er loopt nog een tweede verhaal door deze geschiedenis. Wie is de eigenaar van een idee dat door anderen wordt gebouwd, verbeterd en wereldwijd verspreid? De ECC88/6AS7 was mijn ontwerp. Aren van Waarde maakte er een overtuigende bouwbeschrijving van. De internetgemeenschap verspreidde het. Andere bouwers wijzigden onderdelen en voedingen. Chinese fabrikanten maakten er producten van. De naam van Aren bleef aan de schakeling kleven, terwijl de oorspronkelijke bron steeds verder naar de achtergrond verschoof. Het is niet nodig hem daarvan een verwijt te maken. Hij vermeldde mijn naam en oorspronkelijke publicaties. Maar het blijft opmerkelijk hoe gemakkelijk de naam van degene die een schakeling succesvol verspreidt, de plaats inneemt van de oorspronkelijke ontwerper. Andersom was ik zelf natuurlijk ook voortdurend bezig met het werk van anderen: Futterman, Curcio, Hiraga, Linsley Hood en Rudi Stor. Ik bouwde hun ontwerpen na, paste ze aan en publiceerde mijn ervaringen. Zo functioneerde die DIY-gemeenschap. Niet als een verzameling geïsoleerde uitvinders, maar als een netwerk waarin ideeën voortdurend werden doorgegeven. En toch is er een verschil tussen een schakeling ontwerpen, haar nabouwen en haar bekendmaken. Die drie rollen verdienen ieder hun eigen plaats in de geschiedenis. Misschien is dat uiteindelijk het mooiste aan deze herontdekking. Niet dat ik alsnog erkenning krijg voor iets uit 1995, maar dat het oorspronkelijke verhaal terugkomt. Met de technische uitgangspunten, de experimenten, de mislukkingen, de ontmoetingen en de internationale omzwervingen erbij. En dat allemaal omdat ik in oktober 2026 nog eens wilde weten hoe die eenvoudige versterker met drie transistoren ook alweer in elkaar zat.

Bronnen die ik zou bewaren

Dit zijn de belangrijkste oorspronkelijke documenten voor een persoonlijk audioarchief.

Publicatie

Waarom belangrijk

Mijn Futterman-artikel

Mijn eigen uitleg van de achtergronden, de schakeling en de bouwervaringen

Aren van Waarde — ECC88/6AS7

Expliciete erkenning van het ontwerp uit 1995 en zijn aangepaste uitvoering

A Dutch Journey in JLH-land

Mijn uitgebreide verslag uit 2001

The Evolution

Samenwerking rond een gewijzigde JLH zonder uitgangscondensator

Morgan Jones op HeadWize

Mijn bijdragen aan de voedingsontwerpen

DIYaudio-discussie vanaf 16 augustus 2002

Mijn eigen AR-3-experimenten, schema’s en discussie met Nelson Pass

audioXpress juni 2003

Aren van Waarde over Rudi Stors minimalistische transistorversterker

Chinese E-100-bouwset

Documentatie van de commerciële navolging in 2015

Voorlopige status: deze reconstructie steunt voor de vroege periode op je eigen destijds gepubliceerde teksten, voor de latere omzwervingen op artikelen en forumarchieven. Enkele details, vooral de precieze oorspronkelijke artikelen uit Audio & Techniek en de geschiedenis van de Chinese fabrieksmodellen, verdienen nog nader onderzoek. Wat mij vooral opvalt aan oude publicaties: het is niet alleen een geschiedenis van apparaten, maar van een consequente manier van denken. Een technisch probleem terugbrengen tot zijn essentie, een zo eenvoudig mogelijke oplossing zoeken, de theorie serieus nemen, en vervolgens onderzoeken of het in de werkelijkheid ook echt beter wordt.

Previous Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*