831 Van werk naar kerk (1): hoezo staan er mooie gebouwen als er te weinig eten is voor iedereen?

Stiekem even tussendoor, tijdens de pauze zeg maar … Een concrete aanleiding en verwondering, dus helemaal vanuit mezelf, niks geen artikel of externe bron, sec. Dit weekend een prachtig en uniek bezoek mogen afleggen aan museum Boijmans in Rotterdam. Het hele spul wordt verbouwd en gerestaureerd en het is nog lang niet klaar (oplevering eind 2030 verwacht). De club ‘Parfum de Boem boem’ heeft het voor elkaar gekregen om ons gewone burgers onder begeleiding een tour te laten maken door de ingewanden van het van asbest ontdane museum. Wat een prachtig en enorm indrukwekkend gebouw is dit, geweldig houtwerk en metselwerk. Wat is als econoom dan altijd weer denk: hoe kan zoiets groots en duurs gebouwd worden, wie betaalt dat en hoe kan dat uit? Cultuurbarbaar ongetwijfeld. Je kunt zoiets alleen maar bouwen als er sprake is van een economisch surplus, je moet tijd en middelen overhouden naast de basale voorzieningen. Ik denk dan ook altijd aan de grote piramides en kathedralen die in tijden van armoede toch gewoon werden gebouwd. Verklaring is simpel: slavenarbeid of varianten daarvan. Een kleine elite roomde de boel af, nam het eigenaarschap over, eigende zich het surplus toe en ga zo maar door. Paradoxaal genoeg is het in deze tijden van veel grotere surplussen juist minder makkelijk om zulke enorme bouwwerken neer te zetten. Omdat mensen nu meer krijgen betaald, slavenarbeid in die zin niet meer bestaat, nou ja hier in Europa althans, nou ja dan toch in ieder geval anders dan toen.

Maar nog steeds krijgen de bouwvakkers of handwerkslieden minder betaald dan de beslissers en surplus-naar-zich-toe-trekkers. En dat is best raar, want zonder vakmensen (iedereen die een rol speelt bij de productie van eten en onderdak) kunnen we niet, terwijl we wel zonder beslissers en surplus-opslokkers kunnen. Dus hoe zit dat dan? Hoe heeft het zover kunnen komen, welke stappen zijn er gemaakt? Het is eigenlijk het 123 van de economie, die toch niet in de economieboekjes staat. Ik kan het me niet herinneren in ieder geval. Een iets ander maar gerelateerde ervaring, ook dit weekend, was mijn bezoek aan de voorstelling ‘Klei’ op de Bossche parade in de Brabanthallen. Ook daar vroeg ik me tijdens het bekijken van de in de modder woelende performers af, wie betaalt dat allemaal, hoe komt zoiets tot stand, van welk surplus gaat dat af en dan heb ik het nog niet over de paar honderd bezoekers die er inclusief reizen in totaal zo’n 1.000 uur aan kwijt zijn. Ja, een echte cultuurbarbaar, voor mij was het een kwelling en niet alleen omdat het in de plastic jasjes (voor het spatten van de klei) met deze hitte niet uit te houden was. Ik verbaas me dan over de prachtige interpretaties en zingevingen en duidingen van een paar mensen die in de klei rollen. Het is mij allemaal volledig ontgaan, wat was ik blij dat ik weer in de buitenlucht stond.

Anyways, voor mij was deze exercitie die ik ‘van werk naar kerk’ noem een thuiskomen. Als econoom moet dit voor mij niks nieuws zijn, maar zo voelt het niet. Eindelijk heb ik iets in handen waar ik al jaren naar zocht. Het ontstaan van surplus, van onrecht zo je wilt, in stappen uitgelegd. Voor leken te volgend, denk ik. Een onderbouwing van de verhalen van macht en rijkdom van mensen als Jos (JvH, @kanttekeningen). Eindelijk een hommage aan mijn overleden vader, die met zijn handen de houten betimmeringen deed van prestigieuze zeiljachten van voornamelijk Duitse miljonairs. Meer surplus-achtig kun je het niet krijgen! En veel thema’s komen terug in deze mini-reeks, zoals mijn verwondering hoe het kan dat we zoveel hoogopgeleiden (theoretisch geschoolden) hebben die meer verdienen terwijl we zonder de rapporten en adviezen zouden kunnen. Want wie vraagt er om die rapporten en wie is er bereid ervoor te betalen, hoe werkt dat? Alles komt weer neer op het ontstaan van dat surplus en wie het zich toe eigent of mag eigenen.

Ik heb 5 delen ‘van kerk naar werk’ gemaakt (na zorgvuldige redactie van de stapel output die de dialogen met AI met opleverde).

  • Deel 1 is de herformulering van de verwondering, waar komt het surplus vandaan. Dus hoe kunnen we kerken bouwen als we niet eens genoeg hebben om iedereen te laten eten?
  • Dan ga ik in deel 2 een klein economisch model ontwikkelen, we beginnen met de eisen of wensen die we in het model willen hebben.
  • In deel 3 presenteer ik het economische model en het verschijnen van 5 fasen van ontwikkeling in de economie.
  • In deel 4 presenteer ik een lijst met stellingen over afromen, surplus, afromen.
  • In deel 5 presenteer ik een zgn RSD-diagram die de uitkomsten visueel weergeeft


Waar komt al dat surplus eigenlijk vandaan?

Aan het begin staat voor mij een vrij simpele verwondering.

Ik zie overal mensen die iets tastbaars doen. Ze bouwen huizen, leggen elektriciteit aan, repareren auto’s, verzorgen zieken, verbouwen voedsel, rijden vrachtwagens en houden machines draaiende. Zonder hun werk loopt een samenleving vrij snel vast. Je kunt een beleidsnota enige tijd uitstellen, maar eten, wonen, energie en onderhoud niet.

En toch zijn het historisch lang niet altijd deze mensen die het grootste deel van het maatschappelijke surplus naar zich toe trekken. Integendeel. Mensen die zichtbaar hard werken en iets kunnen maken, konden straatarm zijn en zelfs honger lijden, terwijl tegelijkertijd kathedralen, paleizen, piramides en later enorme kantoren, musea en bestuursgebouwen werden opgetrokken.

Dat roept een bijna kinderlijk eenvoudige vraag op:

Hoe kan dat?

Als de mensen die het voedsel produceren en de gebouwen daadwerkelijk neerzetten nauwelijks iets overhouden, wie beschikt dan blijkbaar over het surplus waarmee zulke enorme projecten worden betaald? En hoe is die beschikkingsmacht daar terechtgekomen?

Van Quesnay naar afromen

Die vraag sluit rechtstreeks aan bij mijn eerdere blogs over François Quesnay. Bij Quesnay was het tenminste lekker overzichtelijk. De boeren vormden de productieve klasse. Zij brachten meer voort dan nodig was om zichzelf en hun productieproces in stand te houden. Dat verschil was het produit net, het surplus.

Vervolgens kwam de interessante vraag: wie krijgt dat surplus?

Bij Quesnay waren dat uiteindelijk in belangrijke mate de grondeigenaren. Niet omdat zij het graan hadden verbouwd, maar omdat zij eigenaar waren van de grond en daardoor een claim konden leggen op wat anderen produceerden.

Dat mechanisme ben ik in mijn blogs steeds breder als afromen gaan bekijken. Er wordt ergens waarde voortgebracht, waarna een andere partij door eigendom, macht, regels, rente, belasting, monopolie of een andere institutionele constructie een aanspraak op een deel van die waarde weet te verkrijgen.

Daarbij gaat het mij niet om de simpele stelling dat iedereen die veel verdient dus een afromer is. Dat zou veel te gemakkelijk zijn. Een goede timmerman kan meer produceren dan een slechte. Een uitvinder kan de productiviteit enorm verhogen. Een arts kan met kennis letterlijk levens redden. Een organisator kan voorkomen dat twintig anderen voortdurend langs elkaar heen werken.

De interessante vraag is juist:

Welk deel van een beloning volgt uit werkelijk gevraagde en toegevoegde waarde, en welk deel ontstaat doordat iemand een positie heeft verworven waarmee hij een claim op het surplus van anderen kan leggen?

En dan hoog- en laagopgeleid

Daarmee kom ik bij een tweede verwondering uit mijn blogs: de verhouding tussen praktisch en theoretisch opgeleiden.

Ik gebruik die begrippen hier bewust kunstmatig scherp. De practici zijn de mensen die in ons model de materiële leefwereld draaiende houden: eten, bouwen, energie, reparatie, vervoer, zorg en andere fysieke productie.

De theoretici schrijven in het extreme nulmodel rapporten, adviseren, besturen, controleren, maken regels en nemen beslissingen.

Natuurlijk is de echte wereld niet zo netjes verdeeld. Een goede loodgieter denkt voortdurend na en een ingenieur kan buitengewoon praktisch bezig zijn. Dat is ook niet het punt. Het zijn LEGO-blokjes waarmee ik één vraag probeer bloot te leggen.

Want bij de practicus lijkt de eerste helft van het economische probleem eenvoudig. Er moet vraag zijn naar eten en wonen. Desnoods eet de boer zijn eigen aardappelen en woont de timmerman in zijn eigen huis. Voor materiële productie bestaat een autonome basisvraag.

Maar hoe zit dat bij de theoreticus?

Een rapport kun je niet eten. Een regel houdt je niet warm. Een beleidsadvies is pas iets waard als iemand er behoefte aan heeft.

Dus moet er ergens een tweede stap plaatsvinden:

De mensen die het materiële surplus produceren moeten bereid zijn een deel daarvan af te staan omdat zij een theoretische dienst nuttig genoeg vinden.

Misschien willen zij iemand inhuren om eigendomsconflicten op te lossen. Misschien een eenvoudige administratie bijhouden. Misschien iemand laten uitzoeken hoe productie efficiënter kan. Misschien richten ze samen een kleine regeldienst op omdat het goedkoper is één persoon enkele afspraken te laten bewaken dan voortdurend onderling ruzie te maken.

Prima.

Dan is er vraag.

Maar daarmee ontstaat onmiddellijk een volgende vraag.

Wie is eigenlijk opdrachtgever van wie?

Stel dat de practici gezamenlijk behoefte hebben aan één eenvoudige regeldienst. Dan ligt het voor de hand dat zij opdrachtgever zijn. Zij bepalen wat ze nodig hebben, hoeveel het hun waard is en wat degene die de dienst uitvoert ervoor krijgt.

Dat is bijna het spiegelbeeld van een samenleving waarin de regelaars uiteindelijk zelf bepalen hoeveel regels nodig zijn, hoeveel controle daarop moet plaatsvinden, welke rapporten moeten worden geschreven, welke diploma’s daarvoor noodzakelijk zijn en welke vergoeding bij die functies hoort.

En juist daar begint mijn vermoeden.

Als er werkelijk vrijwillige vraag bestaat naar een dienst, hebben we gewone economische ruil. Maar als er nauwelijks vrijwillige vraag bestaat en er toch een omvangrijke, goedbetaalde sector omheen ontstaat, dan moet er nog iets anders in het systeem zitten.

Dwang misschien.

Eigendom.

Een wettelijk monopolie.

Informatievoorsprong of misleiding.

De bevoegdheid om je eigen vraag te creëren.

Of een regel die bepaalt dat anderen jouw dienst verplicht moeten afnemen.

Dat is de afroomvraag opnieuw, maar nu toegepast op de verhouding tussen de materiële en de papieren leefwereld.

Maar hoe ontstaat dan een kathedraal?

En vervolgens keren we terug naar die eerste verwondering.

Hoe kan een samenleving waarin mensen voornamelijk bezig zijn met eten en wonen ineens een enorme kerk bouwen?

Of een paleis?

Een piramide?

Een museum?

Daar zijn duizenden uren praktische arbeid voor nodig. De metselaar die aan de kathedraal werkt kan op dat moment geen huis bouwen. De boer die stenen vervoert kan op dat moment geen voedsel produceren.

Er moet dus ergens surplus zijn.

En nog belangrijker:

Iemand moet over dat surplus kunnen beschikken.

Dat hoeft niet onmiddellijk afroming te betekenen. Misschien produceren mensen meer dan ze consumeren, sparen zij dat vrijwillig op en besluiten ze gezamenlijk dat surplus aan een kerk of gemeenschapshuis te besteden.

Maar misschien ligt de beslissing helemaal niet bij degenen die het surplus voortbrengen. Misschien heeft een koning, landeigenaar, kerk, bestuurder, bank of andere machthebber inmiddels een claim op een deel van hun productie gekregen.

Hetzelfde gebouw kan dus uit twee totaal verschillende systemen voortkomen.

Dat is precies wat ik met een klein model wil onderzoeken.

Een opzettelijk belachelijk eenvoudige wereld

Ik wil daarom een denkwereld bouwen waarin we bijna alles wat de werkelijkheid ingewikkeld maakt eerst verwijderen.

Geen buitenland.

Geen goedkope import.

Geen arbeidsmigranten die het vervelende werk tegen lagere lonen overnemen.

Geen omvangrijke overheid.

Geen stapels bestaande wetten en instituties.

Geen banken die we alvast cadeau krijgen.

Geen historische vermogensverschillen.

Eerst alleen mensen die moeten eten en wonen en daarom daadwerkelijk iets moeten produceren.

Daarna voegen we steeds één LEGO-blokje toe.

Eerst ontstaat materiële productie.

Dan misschien vrijwillige vraag naar enkele diensten en minimale regels.

Dan ontstaat surplus en sparen.

Daarmee kunnen grotere gezamenlijke projecten worden gefinancierd.

Vervolgens kan iemand zijn surplus uitlenen en daarmee een claim krijgen op toekomstige productie.

En pas daarna kunnen we kijken wat er gebeurt wanneer zulke claims zich opstapelen, verhandelbaar worden of institutionele macht opleveren.

Het model hoeft de werkelijkheid niet na te bouwen. Integendeel. Het moet haar tijdelijk geweld aandoen om een paar mechanismen zichtbaar te maken die in de echte wereld door duizenden instituties, regels en verhalen aan het zicht zijn onttrokken.

Waar ontstaat de eerste waarde?

Wie produceert het surplus?

Waarom zou die producent een deel ervan vrijwillig aan iemand anders geven?

Wie beslist vervolgens wat er met het opgespaarde surplus gebeurt?

En op welk moment verandert vrijwillige ruil in een aanspraak op andermans productie?

Dat laatste moment is waar mijn zoektocht naar afroming opnieuw begint.

Previous Post Next Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*