832 Van werk naar kerk (2): een klein model van surplus, afromen en grote kerken en musea
Stiekem even tussendoor, tijdens de pauze zeg maar … Een concrete aanleiding en verwondering, dus helemaal vanuit mezelf, niks geen artikel of externe bron, sec. Dit weekend een prachtig en uniek bezoek mogen afleggen aan museum Boijmans in Rotterdam. Het hele spul wordt verbouwd en gerestaureerd en het is nog lang niet klaar (oplevering eind 2030 verwacht). De club ‘Parfum de Boem boem’ heeft het voor elkaar gekregen om ons gewone burgers onder begeleiding een tour te laten maken door de ingewanden van het van asbest ontdane museum. Wat een prachtig en enorm indrukwekkend gebouw is dit, geweldig houtwerk en metselwerk. Wat is als econoom dan altijd weer denk: hoe kan zoiets groots en duurs gebouwd worden, wie betaalt dat en hoe kan dat uit? Cultuurbarbaar ongetwijfeld. Je kunt zoiets alleen maar bouwen als er sprake is van een economisch surplus, je moet tijd en middelen overhouden naast de basale voorzieningen. Ik denk dan ook altijd aan de grote piramides en kathedralen die in tijden van armoede toch gewoon werden gebouwd. Verklaring is simpel: slavenarbeid of varianten daarvan. Een kleine elite roomde de boel af, nam het eigenaarschap over, eigende zich het surplus toe en ga zo maar door. Paradoxaal genoeg is het in deze tijden van veel grotere surplussen juist minder makkelijk om zulke enorme bouwwerken neer te zetten. Omdat mensen nu meer krijgen betaald, slavenarbeid in die zin niet meer bestaat, nou ja hier in Europa althans, nou ja dan toch in ieder geval anders dan toen.
Maar nog steeds krijgen de bouwvakkers of handwerkslieden minder betaald dan de beslissers en surplus-naar-zich-toe-trekkers. En dat is best raar, want zonder vakmensen (iedereen die een rol speelt bij de productie van eten en onderdak) kunnen we niet, terwijl we wel zonder beslissers en surplus-opslokkers kunnen. Dus hoe zit dat dan? Hoe heeft het zover kunnen komen, welke stappen zijn er gemaakt? Het is eigenlijk het 123 van de economie, die toch niet in de economieboekjes staat. Ik kan het me niet herinneren in ieder geval. Een iets ander maar gerelateerde ervaring, ook dit weekend, was mijn bezoek aan de voorstelling ‘Klei’ op de Bossche parade in de Brabanthallen. Ook daar vroeg ik me tijdens het bekijken van de in de modder woelende performers af, wie betaalt dat allemaal, hoe komt zoiets tot stand, van welk surplus gaat dat af en dan heb ik het nog niet over de paar honderd bezoekers die er inclusief reizen in totaal zo’n 1.000 uur aan kwijt zijn. Ja, een echte cultuurbarbaar, voor mij was het een kwelling en niet alleen omdat het in de plastic jasjes (voor het spatten van de klei) met deze hitte niet uit te houden was. Ik verbaas me dan over de prachtige interpretaties en zingevingen en duidingen van een paar mensen die in de klei rollen. Het is mij allemaal volledig ontgaan, wat was ik blij dat ik weer in de buitenlucht stond.
Anyways, voor mij was deze exercitie die ik ‘van werk naar kerk’ noem een thuiskomen. Als econoom moet dit voor mij niks nieuws zijn, maar zo voelt het niet. Eindelijk heb ik iets in handen waar ik al jaren naar zocht. Het ontstaan van surplus, van onrecht zo je wilt, in stappen uitgelegd. Voor leken te volgend, denk ik. Een onderbouwing van de verhalen van macht en rijkdom van mensen als Jos (JvH, @kanttekeningen). Eindelijk een hommage aan mijn overleden vader, die met zijn handen de houten betimmeringen deed van prestigieuze zeiljachten van voornamelijk Duitse miljonairs. Meer surplus-achtig kun je het niet krijgen! En veel thema’s komen terug in deze mini-reeks, zoals mijn verwondering hoe het kan dat we zoveel hoogopgeleiden (theoretisch geschoolden) hebben die meer verdienen terwijl we zonder de rapporten en adviezen zouden kunnen. Want wie vraagt er om die rapporten en wie is er bereid ervoor te betalen, hoe werkt dat? Alles komt weer neer op het ontstaan van dat surplus en wie het zich toe eigent of mag eigenen.
Ik heb 5 delen ‘van kerk naar werk’ gemaakt (na zorgvuldige redactie van de stapel output die de dialogen met AI met opleverde).
- Deel 1 is de herformulering van de verwondering, waar komt het surplus vandaan. Dus hoe kunnen we kerken bouwen als we niet eens genoeg hebben om iedereen te laten eten?
- Dan ga ik in deel 2 een klein economisch model ontwikkelen, we beginnen met de eisen of wensen die we in het model willen hebben.
- In deel 3 presenteer ik het economische model en het verschijnen van 5 fasen van ontwikkeling in de economie.
- In deel 4 presenteer ik een lijst met stellingen over afromen, surplus, afromen.
- In deel 5 presenteer ik een zgn RSD-diagram die de uitkomsten visueel weergeeft
Hoe bouwen we het model?
Als we willen onderzoeken waar surplus ontstaat, wie erover beschikt en wanneer vrijwillige ruil overgaat in afroming, moeten we vooral voorkomen dat we de uitkomst al in het model stoppen.
Dat klinkt vanzelfsprekend, maar daar ging het in onze eerste poging al bijna mis. We zeiden: honderd mensen hebben allemaal eten nodig, dus reserveren we honderd pakketten voedsel en noemen wat daarna overblijft het surplus. Maar daarmee hadden we stilzwijgend al aangenomen dat iedereen automatisch toegang had tot die productie.
Juist dát is nu een van de vragen.
Het model moet daarom niet beginnen bij inkomens of lonen, maar bij productie, behoefte en vrijwillige ruil. Daarna voegen we telkens één institutioneel mechanisme toe.
Ontwerpeisen
Het model moet aan een paar eisen voldoen.
- Zo simpel mogelijk. We willen mechanismen begrijpen, niet Nederland nabouwen.
- Lineair. Geen ingewikkelde functies als een simpele optelsom dezelfde redenering zichtbaar kan maken.
- Iedere nieuwe mogelijkheid moet worden verdiend. Geen bank voordat er iets uit te lenen valt. Geen groot museum voordat er surplus is. Geen theoretische sector voordat iemand bereid is die diensten te betalen.
- Vraag wordt niet verondersteld. Voor iedere niet-noodzakelijke dienst vragen we expliciet waar de vraag vandaan komt.
- Vrijwillige ruil is het nulscenario. Dwang, belasting, eigendomsclaims, monopolies en verplichte regelgeving worden pas later toegevoegd.
- Productie en aanspraken blijven gescheiden. Iets produceren is iets anders dan het recht verkrijgen om over de productie van een ander te beschikken.
- Surplus is eerst reëel. Het bestaat uit productiecapaciteit boven wat onmiddellijk nodig is om de samenleving in stand te houden.
- Iedere aanname moet verwisselbaar zijn. Later kunnen we bijvoorbeeld goedkope buitenlandse arbeid, migratie, productiviteitsverschillen of een grotere overheid toevoegen en bekijken wat er verandert.
Dat laatste is belangrijk. Een model is voor mij geen voorspelling maar een denkinstrument. We bouwen een LEGO-wereld waarin we één blokje veranderen en vervolgens kijken welke consequenties daar logisch uit voortvloeien.
De uitgangspositie
Er is geen buitenland, geen goedkope import en geen arbeidsmigratie.
Waarom? Omdat goedkope arbeid elders anders onmiddellijk een uitweg vormt. Als binnenlandse arbeid duur wordt, kunnen we importeren of iemand van buiten laten komen. Dat is juist een van de mechanismen die we later afzonderlijk willen onderzoeken.
Er bestaat een ondergrens van materiële behoeften die niet weg te redeneren is.
Daarmee ontstaat een fundamenteel verschil tussen fysieke productie en veel theoretische diensten. Voor voedsel hoeft niemand eerst een reclamecampagne te beginnen om vraag te creëren. De behoefte bestaat al.
Wie iets maakt, beschikt daar in het nulmodel in eerste instantie zelf over.
Dit is geen morele uitspraak over hoe eigendom in de echte wereld zou moeten zijn. Het is een analytische keuze. We willen immers kunnen zien wanneer en waardoor een ander vervolgens een aanspraak op die productie krijgt.
Zij bouwen, verbouwen, repareren, vervoeren en verzorgen.
Ook dit is bewust extreem. Natuurlijk denken practici en werken theoretici soms fysiek. We gebruiken beide groepen alleen als analytische uitersten.
Zij adviseren, administreren, regelen, controleren, ontwerpen of beslissen.
Hun werk kan zeer waardevol blijken. Maar die waarde wordt niet vooraf verondersteld. De vraag moet ergens vandaan komen.
Er bestaan alleen minimale afspraken om geweld en diefstal te voorkomen.
Als verdere regels nuttig blijken, kunnen de producenten daar gezamenlijk opdracht voor geven. De regeldienst is dan leverancier en niet automatisch opdrachtgever van de samenleving.
Een theoretische dienst bestaat alleen als degenen die ervoor betalen vinden dat zij minimaal evenveel oplevert als zij kost.
Een administratie die tien uur werk bespaart kan dus ontstaan. Een conflictbeslechter die dure ruzies voorkomt ook. Een rapport waar niemand iets mee kan, heeft in deze nulwereld geen markt.
Een belangrijk onderscheid: productie is nog geen beschikkingsmacht
Nu kunnen we surplus netjes definiëren.
Stel iemand produceert meer dan hij zelf verbruikt.
Dat surplus bestaat werkelijk. Maar daarmee is nog niet bepaald wie het mag uitgeven.
De producent kan het:
- zelf consumeren;
- ruilen tegen een dienst;
- sparen;
- schenken;
- investeren;
- of later uitlenen.
Dit onderscheid is essentieel voor onze oorspronkelijke vraag over kerken, piramides en musea.
Waarom we niet meteen met een museum beginnen
In de eerste versie van onze gedachtegang leek het verleidelijk te zeggen: als iedereen gelijk verdient, kan een enorm museum niet ontstaan. Dat blijkt te snel.
Een groot gebouw kan namelijk ook zonder afroming worden gebouwd.
Als veel producenten vrijwillig een deel van hun surplus sparen en dat vervolgens bundelen, kunnen zij samen besluiten een kerk, gemeenschapshuis, brug of museum te bouwen.
Het gebouw zelf vertelt ons dus nog niet of er is afgeroomd.
De relevante vragen zijn:
- Wie produceerde het surplus?
- Wie spaarde het?
- Wie mocht beslissen over de besteding?
- Was deelname vrijwillig?
- Of kon een andere partij een claim op dat surplus afdwingen?
Daarmee begon onze aanvankelijk simpele tegenstelling tussen praktisch en theoretisch werk zich vanzelf uit te breiden tot een model over productie, surplus, diensten, sparen en claims.
Hoe de vijf fasen ontstonden
De vijf fasen zijn dus niet willekeurig gekozen. Iedere fase ontstaat omdat de vorige fase een nieuwe mogelijkheid opent.
De samenleving begint met materiële productie. Mensen moeten eten, wonen, zich kleden en hun spullen onderhouden.
De eerste economische vraag ontstaat dus niet uit instituties of regels maar uit fysieke noodzaak.
Zodra de producent meer maakt dan hij onmiddellijk nodig heeft, kan hij een deel van zijn productie ruilen tegen een dienst.
Daarmee kan een theoretische functie ontstaan: administratie, conflictbeslechting, planning, onderwijs of een kleine regeldienst.
Maar de volgorde blijft belangrijk: de dienst ontstaat omdat de producent haar nuttig vindt en ervoor wil betalen.
De producent is opdrachtgever. De theoreticus is leverancier.
Zowel practici als inmiddels betaalde theoretici kunnen minder consumeren dan zij ontvangen.
Dan ontstaat individueel surplus.
Door surplus over meerdere mensen en meerdere perioden te bundelen kunnen grote projecten ontstaan.
Een kerk, brug, hoofdkantoor of museum wordt nu mogelijk zonder dat we al afroming hoeven te veronderstellen.
De cruciale verandering is dat surplus kan worden geconcentreerd en daardoor grote hoeveelheden praktische arbeid tegelijk kan aansturen.
Wie vandaag surplus heeft, hoeft het niet zelf te gebruiken.
Hij kan het uitlenen aan iemand die vandaag tekort heeft of een investering wil doen.
De uitlener geeft huidige beschikkingsmacht op en ontvangt daarvoor een claim op toekomstige productie.
Bij een productieve lening kan die rente uit extra productie worden betaald. Bij een lening die geen extra productie oplevert, moet de rente uit het bestaande toekomstige surplus van de lener komen.
Vanaf dit moment bezit iemand niet alleen goederen of spaargeld, maar ook rechten op toekomstige productie van anderen.
Die rechten kunnen zich opstapelen.
Naast krediet kunnen later ook andere claims ontstaan: grondbezit, huur, pacht, rente, belasting, monopolies, verplichte regelgeving of institutionele bevoegdheden.
Daarmee komt onze oorspronkelijke vraag over afromen volledig terug.
De finale versie van het model
Daarmee is het model uiteindelijk breder geworden dan alleen hoog- versus laagopgeleid.
Die tegenstelling was de aanleiding. Zij maakte zichtbaar dat we te gemakkelijk aannemen dat een hoge beloning vanzelf bewijst dat er ook veel vraag naar een activiteit bestaat.
Maar het model brengt ons naar een fundamentelere vraag:
In fase 1 is dat nog onmogelijk. Wie wil eten, moet produceren of vrijwillig iets leveren waarvoor een producent eten wil afstaan.
In fase 2 kan een theoreticus dus prima een hoog inkomen krijgen, maar alleen wanneer zijn dienst voor de opdrachtgevers voldoende waarde heeft.
In fase 3 kunnen ook grote gebouwen ontstaan zonder afroming, zolang de mensen die het surplus hebben opgebouwd vrijwillig besluiten het daarvoor te gebruiken.
In fase 4 ontstaat voor het eerst een expliciete aanspraak op toekomstige productie.
En in fase 5 kan die aanspraak een zelfstandig bezit en uiteindelijk een machtspositie worden.
Daar ligt voor dit model het interessante omslagpunt.
Dat is uiteindelijk de simpele machine die we willen onderzoeken. Niet om vooraf te bewijzen dat iedere theoreticus, renteontvanger, overheid of eigenaar een afromer is, maar om bij iedere aanspraak steeds dezelfde vraag te kunnen stellen: