838 Een luxe bibliotheek: wat mag dat kosten?
Enkele dagen geleden was ik voor de tweede keer in het nieuwe verbouwde Huis73 in Den Bosch. Eerder had in een vergadering en moest snel naar de juiste kamer en had geen gelegenheid goed rond te kijken. Nu dus wel. Wat ik bijna iedereen hoor zeggen: heel geslaagd, een aanwinst voor Den Bosch. Ik hoorde bij de afscheids-toespraak van de directrice dat we het geen bibliotheek of bieb meer mogen noemen. Wat het dan wel is (letterlijk) ben ik vergeten, maar het is duidelijk te zien: een verzamelplek, om af te spreken, rond te dolen, de krant te lezen, maar vooral ook rustige studieplekken waar studenten en scholieren gretig gebruik van maken. Boeken zijn in dit soort nieuwe plekken ‘decoratief’ en her en der te vinden tegen de wanden. Ik zeg het wat te dramatisch, maar in de kern komt het daar wel op neer. Het gaat niet meer om de collectie (die is ook niet uitgebreid) en de oude manier van netjes achter elkaar op nummer is zover ik kan zien verdwenen. Ik heb daar zelf ook over geschreven: het tijdperk van het traditionele (lineaire) boek is aan het verdwijnen, en het zou dus raar zijn om een gebouw dat weer klaar is voor de komende 30 jaar rondom het boek in te richten.
Daar ligt mijn verwondering dus niet. De verwondering ligt, en dat is een afwijking van mij, in het enorme bedrag dat gemoeid is met deze verbouwing en of dat wel of niet noodzakelijk is. In de zin van: wat is dit nu eigenlijk (als het geen bieb is) en mag of moet dat dit bedrag kosten. Want mijn gevoel en intuïtie is dat er vooral studenten/scholieren gebruik maken van de oude en nu uitgebreide studieplekken. En het staat me dan wat tegen om te horen: het is een geweldig succes want het aantal bezoekers neemt toe, mensen zijn tevreden/positief. Ja kunst, je hebt hier de rust en ruimte, gratis verwarming en koeling. De kosten (van verbouwing en onderhoud) komen van de gemeente en worden dus door ons allemaal gedragen. De voordelen gaan voor een groot deel naar een relatief beperkte doelgroep waarvan je mag aannemen dat ze een meer dan gemiddeld ‘life-time’ inkomen gaan realiseren. Is dat een logische beslissing, is dat een correcte aanwending van publiek geld, is daar een goede discussie over geweest met argumenten? (retorische vragen, I know, want antwoord is overwegend NEE).
Daarom wilde ik wat feiten op een rij zetten. Dat is niet helemaal gelukt, dus mijn aanvankelijke plan om er een mini-mkba op een bierviltje van te maken heb ik laten varen. Mijn aanvankelijke stelling dat (ook armere) Bosschenaren betalen voor een luxe plek voor met name hoger opgeleiden en/of studenten blijft overeind maar is zeker genuanceerder geworden. Eerder is dat ook met het theater aan de Parade gebeurd en daar in nog extremere mate. Het lijkt ook iets te zeggen over Den Bosch en hoe dat bestuurd wordt. We moeten niet kijken naar het totale bedrag van ruim €30 miljoen omdat er sowieso onderhoud en renovatie nodig was. Het gaat om de bewust gekozen meerkosten en het daarbij horende extra onderhoud (verwarming, personeel etc) en waar die qua voordelen uiteindelijk neerslaan. Hieronder betoog ik dat er de komende 30 jaar sprake is van ongeveer €1 miljoen aan jaarlijkse meerkosten die inderdaad voor een flink deel neerslaan bij hogeropgeleide burgers.
Ik wil niet de klager uithangen, zelf kom ik ook graag in dit soort gebouwen (want zie ook Groningen, Utrecht, Tilburg, het is een trend, en ook dat is overigens een afweging in mijn pleidooi, het worden paradepaardjes (pun intended) waar ook andere gemeentes niet kunnen achterblijven), vooral stoort mij het gebrek aan argumentatie en transparantie en het claimen van een succes op de verkeerde gronden. Het past bij mijn thema dat ’theoretisch opgeleiden’ met groot gemak besluiten nemen over een net zo grote groep ‘praktisch opgeleiden’ die aan de zijlijn toe- of weg-kijken. Dit gebouw onder het fijn klinkende ‘iedereen is welkom’ is daar een symbool van.
Ik vervolg de serie met antwoorden op vragen die er ongetwijfeld gaan komen en die ik mezelf ook stel. Joh, wat ben jij een azijnpisser, een econoom rekent alles dood, kunnen we dan niks meer doen, kunst en cultuur moet altijd met subsidie ondersteund worden etc. Ook wil ik de vergelijking maken met een museum of theater, met een Cineville pas. Maar ook met een op het eerste gezicht vergelijkbaar ‘instituut’ als een VolksUniversiteit.
Voor wie bouwen we eigenlijk een bibliotheek?
Huis73, gratis werkplekken, diplomademocratie en een Tesla op vierkante meters
1. Waarom boeit mij dit eigenlijk?
Ik liep door het compleet vernieuwde Huis73 in Den Bosch en was oprecht onder de indruk. Het is prachtig gedaan. Tegelijk begon vrijwel onmiddellijk mijn gebruikelijke economische afwijking op te spelen: voor wie hebben we dit eigenlijk gebouwd, wie betaalt ervoor en waar slaat het profijt neer? Dat is voor mij interessanter dan de eenvoudige vraag of bibliotheken “goed” of “belangrijk” zijn. Natuurlijk zijn boeken, lezen, cultuur en toegankelijke publieke voorzieningen waardevol. De interessante vraag begint pas daarna.
Huis73 is bovendien nauwelijks meer de bibliotheek uit mijn jeugd. De collectie is nog aanwezig, maar het gebouw is steeds meer een verblijfsmachine geworden: studeren, werken, lezen, cursussen volgen, dingen maken, cultuur consumeren, mensen ontmoeten en vooral langere tijd ergens prettig en gratis kunnen zitten. De collectie blijft volgens Huis73 ongeveer van dezelfde omvang, terwijl er circa 1.000 m² meer publieke ruimte beschikbaar komt en het aantal studieplekken stijgt van ongeveer 90 naar 200. Dat laatste bleek tijdens mijn eigen bezoeken geen theoretische uitbreiding: die studieplekken zitten vol en wie te laat komt heeft pech.
Daar begon de vergelijking met Tesla. Niet omdat een openbare bibliotheek hetzelfde is als een gesubsidieerde privéauto, maar omdat dezelfde economische vragen zich opdringen: wie ontvangt het directe voordeel, wie betaalt, welke maatschappelijke voordelen worden ter rechtvaardiging aangevoerd en welke tweede- en derde-orde-effecten ontstaan doordat de overheid het product goedkoper of gratis maakt?
2. Niet €32 miljoen, maar ongeveer €13 miljoen extra
Huis73 kostte uiteindelijk ongeveer €31,7 à €32 miljoen. Maar ook dat is voor deze analyse de verkeerde rekening. Het oude gebouw was daadwerkelijk versleten. Er waren lekkages, verouderde installaties en monumentale panden die gerestaureerd en verduurzaamd moesten worden. In 2021 lag er een sobere variant van ongeveer €15,7 miljoen naast ambitieuzere varianten van €28,8 en €33,8 miljoen. Uiteindelijk stemde de gemeenteraad in 2023 met 32 tegen 4 stemmen in met een budget van ongeveer €31,7 miljoen.
De economische vraag is dus niet of Den Bosch €32 miljoen aan een bibliotheek had moeten uitgeven. Een flink deel moest sowieso worden uitgegeven. Het interessante verschil zit in de orde van €13 miljoen extra ambitie: wat kregen we daarvoor bovenop een gewoon goed gerenoveerd bibliotheekgebouw?
3. Die €13 miljoen is over dertig jaar ongeveer €21 miljoen
Een extra investering houdt bovendien niet op bij de opening. Meer ruimte en intensiever gebruik betekenen tientallen jaren schoonmaak, energie, onderhoud, beveiliging, inrichting, programmering en personeel. Daarom hebben we een eenvoudig dertigjaarsbierviltje gemaakt. Geen waarheid tot achter de komma, wel een onderbouwde orde van grootte die morgen kan worden verbeterd zodra betere exploitatiecijfers beschikbaar zijn.
Extra investering: €13,1 miljoen
Levensduur: 30 jaar
Reële discontovoet: 2,8%
Additionele exploitatie ambitieuze variant: €400.000 per jaar
Contante waarde extra exploitatie: circa €8,05 miljoen
Totale contante meerkosten: circa €21,15 miljoen
Equivalent jaarlijks bedrag: circa €1,05 miljoen per jaar
Over die €400.000 per jaar valt te twisten. Maak er €300.000 of €500.000 van en de uitkomst schuift mee. Maar de essentie verandert nauwelijks: de ambitieuze keuze vertegenwoordigt geen eenmalige €13 miljoen, maar een maatschappelijke verplichting in de orde van één miljoen euro per jaar gedurende dertig jaar.
4. Maar wat produceren we voor die miljoen?
Hier maakte ik aanvankelijk zelf een fout. Ik behandelde de extra 1.000 m² publieke ruimte bijna alsof iedere vierkante meter automatisch evenveel extra gebruikswaarde produceert. Dat is onzin. Ruimte is geen gebruik. Een brede gang, een royale open ruimte of een mooi zicht door het gebouw kan prettig zijn, maar wanneer iemand er vijftien minuten doorheen loopt, consumeert hij nauwelijks vierkante-meteruren. De ruimte is hem als het ware opgedrongen: hij kiest niet voor 30 m² loopruimte in plaats van 10 m².
De studieplekken zijn economisch een compleet ander product. Daar kiest iemand expliciet voor, neemt beslag op een stoel, tafel, vierkante meters, wifi, verlichting, verwarming of koeling en blijft vaak uren zitten. Bovendien is de capaciteit schaars: als alle 200 plaatsen bezet zijn, kan de volgende gebruiker er niet meer bij. Dat is bijna een schoolvoorbeeld van meetbaar individueel gebruik van een publiek gefinancierde voorziening.
Daarom is het heel goed verdedigbaar om niet 40% maar bijvoorbeeld 60%, 70% of zelfs meer van de marginale feitelijke gebruikswaarde toe te rekenen aan de studie- en werkfunctie. Niet omdat 70% van de bouwkosten letterlijk uit bureaus bestaat, maar omdat deze functie een veel groter deel van de werkelijk geconsumeerde extra gebruiksuren kan voortbrengen dan de architectonische “ruimte” eromheen.
5. Een eenvoudig gebruiksvoorbeeld
Alleen de 110 extra studieplaatsen kunnen bij gemiddeld zes bezette uren gedurende 300 dagen per jaar al ongeveer 198.000 extra stoeluren produceren. Bij zeven uur zijn dat 231.000 uur, bij acht uur 264.000 uur. Dat zijn werkelijk geconsumeerde uren: iemand zit er.
Vergelijk dat eens met 1.000 m² extra publieke ruimte. Stel zelfs dat dagelijks 800 mensen die extra ruimtelijkheid “gebruiken” en we schrijven daar royaal gemiddeld vijftien minuten extra verblijf aan toe. Dan levert dat 200 gebruiksuren per dag op, of ongeveer 60.000 uur per jaar bij 300 dagen. In zo’n simpel scenario produceren alleen de nieuwe studieplaatsen al ruim drie keer zoveel additionele verblijfsuren als de rest van de extra ruimte.
Dan is een 60/40-verdeling ten gunste van studiegebruik bepaald niet extreem. Een 70/30-verdeling is eveneens verdedigbaar en bij zeer hoge stoelbezetting kan het nog schever liggen. Dit is precies waarom alleen melden dat er “1.000 m² publieke ruimte” is toegevoegd weinig zegt over het werkelijke maatschappelijke product.
6. Wat kost een extra studie-uur dan?
Neem opnieuw onze €1,05 miljoen jaarlijkse meerkosten. Als we daarvan 60% toerekenen aan de feitelijk zeer intensief gebruikte studie-/werkfunctie, gaat het om circa €630.000 per jaar. Bij 70% wordt dat €735.000 en bij 80% €840.000.
| Aandeel studie/werk in extra gebruik | Jaarlijks toegerekende kosten | Bij 198.000 extra stoeluren |
|---|---|---|
| 60% | €630.000 | €3,18 per uur |
| 70% | €735.000 | €3,71 per uur |
| 80% | €840.000 | €4,24 per uur |
Daarmee verandert ook het beeld van een intensieve gebruiker. Iemand die 500 uur per jaar in Huis73 studeert, consumeert in deze scenario’s tussen ongeveer €1.600 en €2.100 per jaar aan toegerekende publieke studiecapaciteit. Nogmaals: dat is geen rekening die hij ontvangt en ook geen bewering dat zijn stoel zoveel marginale elektriciteit kost. Het is zijn aandeel in de maatschappelijke kosten van het extra product dat speciaal is gecreëerd om dit gebruik mogelijk te maken.
7. En wie zitten er op die stoelen?
Daar komt opleiding veel sterker in beeld dan inkomen. Landelijk bezocht in 2024 ongeveer 42% van de hbo/wo-opgeleiden een bibliotheek, tegenover 26% van mensen met havo/vwo/mbo en ongeveer 22% van lager opgeleiden. Bij allerlei formele culturele activiteiten lopen de verschillen nog verder op. Den Bosch zelf heeft een relatief hoog opgeleide bevolking; rond 40% van de 15- tot 75-jarigen heeft hbo of wo afgerond.
Maar juist bij de studieplaatsen onderschat zo’n diplomacijfer de relevante groep. Een twintigjarige hbo- of universitaire student heeft zijn diploma nog helemaal niet. Voor onze analyse hoort hij natuurlijk wél bij het hogeronderwijstraject. Alleen Avans telt in Den Bosch ongeveer 14.300 studenten en HAS green academy nog eens circa 3.800. Er loopt dus een potentiële populatie van ruim 18.000 hbo-studenten rond, nog los van mbo, scholieren en studenten van elders.
Mijn centrale werkhypothese blijft daarom dat ongeveer 75% van de intensieve vrijwillige volwassen gebruiksuren terechtkomt bij mensen die hoger onderwijs volgen of hebben gevolgd. Daarvoor hoeft helemaal niet 75% van iedereen die door de voordeur loopt hoger opgeleid te zijn. Het gaat om de combinatie van vaker komen én veel langer blijven. Een theoretisch opgeleide gebruiker die twee of drie keer zo lang blijft als iemand die een boek komt halen, domineert al snel de gebruiksuren.
8. Dan krijgen we een prikkelender rekening
Neem het middenscenario waarin 70% van de jaarlijkse meerkosten aan de intensief gebruikte studie-/werkfunctie kan worden toegerekend: circa €735.000 per jaar. Als vervolgens 75% van die gebruiksuren terechtkomt bij studenten en andere mensen uit het hogeronderwijstraject, praat je over ongeveer €550.000 per jaar aan publiek gefinancierde gebruikscapaciteit voor die groep. Bij een 80%-toerekening aan studie/werk wordt dat circa €630.000 per jaar.
Daarmee komt een behoorlijk andere formulering in beeld dan “Huis73 biedt gelijke kansen voor iedereen”:
De extra ambitie van Huis73 kost in orde van grootte €1,05 miljoen per jaar.
Een groot deel van het daadwerkelijk meetbare extra gebruik bestaat uit 110 extra, intensief bezette studieplaatsen.
Bij een redelijke toerekening gaat circa €600.000 à €800.000 per jaar naar deze studie-/werkfunctie.
Wanneer ongeveer driekwart daarvan wordt gebruikt door studenten en andere mensen uit het hogeronderwijstraject, komt circa een half tot ruim zes ton per jaar aan publiek gefinancierde capaciteit bij die groep terecht.
Een zeer intensieve gebruiker kan daarbij voor €1.500 tot ruim €2.000 per jaar aan toegerekende publieke werkruimte consumeren.
En dat betreft voor een belangrijk deel jonge mensen die juist worden opgeleid voor functies met gemiddeld relatief goede toekomstige arbeidsmarkt- en inkomensperspectieven. Dat maakt gratis studieruimte niet verkeerd. Maar het maakt de automatische voorstelling ervan als sociaal beleid wel merkwaardig.
9. De andere 1.000 m² is veel moeilijker te waarderen
Dit brengt bovendien een asymmetrie aan het licht. Een bezette studieplek is concreet. We kunnen tellen hoeveel plaatsen er zijn, hoe vaak ze vol zitten en hoeveel uren ze worden gebruikt. De baten van de overige architectonische uitbreiding zijn veel vager: meer rust, ruimtelijkheid, ontmoeting, inspiratie, flexibiliteit, uitstraling. Dat lijken een beetje op de luxere stoel, de stillere cabine of de comfortabelere neksteun van een duurdere auto: ze kunnen werkelijk prettig zijn, maar het blijft hoofdzakelijk gebruikerscomfort totdat iemand een aannemelijk extern maatschappelijk effect aantoont.
Je kunt dus paradoxaal genoeg juist van het meest meetbare onderdeel — de studieplekken — vrij eenvoudig laten zien dat het sterk geconcentreerde private gebruikswaarde produceert. Voor de duurdere en moeilijker meetbare rest moet vervolgens met veel abstractere begrippen worden uitgelegd waarom ook die maatschappelijk noodzakelijk is.
10. Dit is geen buurthuis
Daarom heb ik ook moeite met het gemak waarmee het woord “ontmoeting” wordt gebruikt. Het klinkt alsof alle lagen van de Bossche samenleving hier spontaan door elkaar raken. Maar Huis73 is geen buurthuis waar vrijdagavond bingo wordt gespeeld. Het is een hoogwaardige voorziening in de historische binnenstad, met studieplekken, architectuur, lezingen, ateliers, literatuur, cursussen en culturele programmering. Dat zijn precies de activiteiten waarvan onderzoek steeds weer laat zien dat ze relatief sterk aansluiten bij hogeropgeleide groepen.
Daarom lijkt opleiding mij uiteindelijk een interessantere variabele dan inkomen. De goedverdienende loodgieter die nooit een stap in Huis73 zet kan fiscaal meer bijdragen dan een docent die er wekelijks zit. Het mechanisme is dus niet simpel arm versus rijk. Het gaat ook om welke levensstijl via algemene middelen wordt gefaciliteerd.
11. En wie bepaalt welke levensstijl publiek waardevol is?
Daar ontstaat de diplomademocratiecomponent. Hogeropgeleiden zijn niet alleen oververtegenwoordigd bij bibliotheek- en cultuurgebruik, maar ook sterk oververtegenwoordigd in gemeenteraden, beleidsfuncties, besturen, advieswereld en culturele instellingen. De Bossche raad stemde met 32 tegen 4 vóór het project. Dat bewijst geen samenzwering; het maakt juist iets anders zichtbaar. Een relatief homogeen theoretisch opgeleid bestuurlijk milieu kan leren, cultuur, creativiteit, persoonlijke ontwikkeling, flexwerken en ontmoeting vanzelfsprekend als algemene publieke waarden beschouwen, terwijl die voorkeuren in werkelijkheid niet gelijk over de bevolking verdeeld zijn.
Daarna ontstaat een fraaie feedbacklus: de beleidswereld investeert in een product dat goed aansluit bij de leefwereld van theoretisch opgeleiden; die groep gebruikt het intensief; hoge bezettings- en bezoekerscijfers bevestigen vervolgens dat de investering succesvol was. Dat hoeft door niemand bewust georganiseerd te zijn om zichzelf te versterken.
12. En andere steden kunnen niet achterblijven
Daar hoort nog een tweede systeemlus bij die in de eerdere versie te weinig gewicht kreeg. Tilburg heeft de LocHal, Groningen het Forum, Utrecht Bibliotheek Neude, Den Bosch Huis73. Zulke gebouwen winnen architectuurprijzen, verschijnen in vakbladen, trekken bestuurders en delegaties en worden voorbeelden van wat een moderne bibliotheek hoort te zijn.
Dat creëert een klassieke prestigewedloop. Zodra stad A een spectaculaire multifunctionele bibliotheek heeft, verandert het referentiepunt voor stad B. Een sobere maar uitstekend functionerende bibliotheek ziet er ineens ouderwets uit. De vraag verschuift ongemerkt van “welke functies hebben onze inwoners nodig?” naar “wat hoort een ambitieuze moderne stad tegenwoordig te hebben?”
Daarmee verandert de investering van een lokale keuze in een systeemmechanisme. Iedere bekroonde LocHal, Forum of Huis73 helpt de minimumstandaard voor het volgende gemeentebestuur verhogen. Het is dezelfde logica die we bij auto’s kennen: wanneer iedereen groter gaat rijden, voelt de normale auto opeens klein. Wanneer iedere stad een spectaculaire culturele huiskamer bouwt, voelt een gewone bibliotheek opeens als bestuurlijk achterblijven.
13. Waar lijkt dit op Tesla?
De parallel met Tesla zit dus niet alleen in financiële herverdeling. Het diepere mechanisme is: algemene middelen verlagen de prijs van een aantrekkelijk individueel product; een specifieke groep consumeert het bovengemiddeld; het beleid wordt gerechtvaardigd met externe maatschappelijke baten; en vervolgens ontstaan tweede-orde-effecten doordat het gesubsidieerde product zelf gedrag en normen verandert.
Bij de EV kon de subsidie leiden tot een tweede auto, meer gereden kilometers, zwaardere modellen, nieuwe laadinfra en een nieuwe norm voor wat een moderne auto moest zijn. Bij de bibliotheek kan gratis hoogwaardige verblijfsruimte leiden tot langer verblijf, verschuiving van studeren vanuit onderwijsgebouwen of thuis, extra exploitatie, steeds meer programmering en uiteindelijk een nieuwe norm voor wat een moderne bibliotheek moet zijn.
14. Waar gaat de Tesla-vergelijking mank?
Een Tesla blijft privébezit. Huis73 blijft voor iedereen toegankelijk. Dat is een fundamenteel verschil. Ook monumentale kwaliteit en een aantrekkelijke publieke binnenruimte kunnen waarde hebben die niet exclusief bij één gebruiker terechtkomt. Maar “iedereen mag erin” is nog geen antwoord op de verdelingsvraag. Economisch telt uiteindelijk wie de schaarse capaciteit feitelijk consumeert en hoe intensief dat gebeurt.
Een studieplek die zes uur bezet is kan diezelfde zes uur niet door iemand anders worden gebruikt. En als dezelfde sociale groep structureel veel vaker en langer van die capaciteit gebruikmaakt, is formeel gelijke toegang iets heel anders dan materieel gelijk profijt.
15. De maatschappelijke baten moeten de meerinvestering verklaren
Ook “lezen is goed” volstaat hier niet. De sobere bibliotheek had eveneens boeken, personeel, taalhulp, digitale ondersteuning en leesbevordering. De relevante vraag is hoeveel extra lezen, taalvaardigheid, sociale cohesie of welzijn juist door de circa €13 miljoen extra ambitie ontstaat. Hetzelfde geldt voor cultuur en ontmoeting. Een lezing, workshop of prettig gesprek heeft waarde voor de gebruiker, maar wordt pas een externe maatschappelijke baat wanneer aannemelijk is wat er buiten die gebruiker beter van wordt.
En zelfs dan volgt nog een tweede vraag: had hetzelfde effect niet goedkoper kunnen worden bereikt via een school, onderwijsinstelling, wijkvoorziening of bestaand gemeentelijk gebouw? Een waardevol doel bewijst niet automatisch dat een prestigieuze bibliotheek de goedkoopste productietechnologie is.
16. Twintig conclusies en discussiepunten
- Kijk naar de meerkosten, niet naar de totale bouwsom. De relevante bestuurlijke keuze zit in de circa €13 miljoen boven de noodzakelijke renovatie.
- Neem de levensduur mee. Met additionele exploitatie praten we in het middenscenario over circa €21 miljoen contante kosten, oftewel ongeveer €1,05 miljoen per jaar.
- Oppervlakte is geen gebruik. Een extra vierkante meter die nauwelijks wordt gebruikt levert niet automatisch maatschappelijke waarde op.
- Een bezette studieplek is wél concreet gebruik. Zij produceert meetbare en schaarse stoeluren.
- 110 extra studieplaatsen kunnen alleen al circa 200.000 tot 260.000 stoeluren per jaar produceren.
- Daarom kan 60 à 80% van de feitelijke marginale gebruikswaarde heel goed rond de studie-/werkfunctie liggen.
- In dat geval kost die functie in orde van grootte €600.000 tot €800.000 per jaar.
- Een extra stoeluur komt dan ruwweg op €3 à €4 publieke kostprijs.
- Een intensieve gebruiker van 500 uur per jaar kan voor €1.500 tot ruim €2.000 aan toegerekende publieke werkruimte consumeren.
- Niet bezoekers maar gebruiksuren zijn de juiste verdelingsmaat.
- Opleidingsniveau lijkt voor dit gebruik belangrijker dan inkomen.
- Een werkhypothese van circa 75% hogeronderwijsaandeel in de intensieve gebruiksuren is verdedigbaar.
- Studenten horen daarin mee, ook voordat zij hun diploma hebben behaald.
- Den Bosch heeft alleen al bij Avans en HAS ruim 18.000 hbo-studenten als potentiële gebruikersgroep.
- Gratis studiecapaciteit kan dus mede een gemeentelijke subsidie zijn op een functie die onderwijsinstellingen anders zelf moeten leveren.
- De resterende extra ruimte produceert veel vagere baten dan de studieplaatsen. “Rust”, “ontmoeting” en “inspiratie” moeten niet zonder bewijs worden gemonetariseerd.
- Brede politieke consensus sluit sociale selectiviteit niet uit. De besluitvormende wereld is veel hoger opgeleid dan de bevolking als geheel.
- Huis73 kan daardoor beter worden gezien als culturele dan als simpele inkomensherverdeling.
- Prestigewedloop is een reëel derde-orde-effect. Iedere succesvolle iconische bibliotheek verhoogt de norm voor de volgende stad.
- De Tesla-vergelijking blijft daarom nuttig. Niet omdat een bibliotheek een auto is, maar omdat dezelfde vragen terugkomen: wie gebruikt, wie betaalt, welke externe baten zijn werkelijk additioneel en welk nieuw gedrag lokt de subsidie zelf uit?
17. De prikkelende eindbalans
Mijn eerste verhaal was dat lagere inkomens een dure bibliotheek betaalden voor rijke ouderen en studenten. Dat was te simpel. De uiteindelijke casus vind ik interessanter. Den Bosch heeft boven op een noodzakelijke renovatie een ambitieuzer bibliotheekconcept gekozen dat over dertig jaar in orde van grootte één miljoen euro per jaar extra kost. De meest tastbare en intensief gebruikte extra output bestaat uit studie- en werkcapaciteit, waaronder 110 extra studieplekken die structureel zeer zwaar worden benut.
Als 60 à 80% van de marginale gebruikswaarde daar terechtkomt, praten we over €600.000 tot €800.000 per jaar. Als ongeveer driekwart van die uren wordt geconsumeerd door studenten en andere mensen uit het hogeronderwijstraject, belandt grofweg een half tot zes ton per jaar aan publiek gefinancierde capaciteit bij een groep die maatschappelijk juist relatief kansrijk is. Tegelijk worden de moeilijker meetbare onderdelen van de extra investering gelegitimeerd met begrippen als ontmoeting, cultuur, ontwikkeling en inclusie, waarvan de additionele maatschappelijke opbrengst veel lastiger hard te maken is.
Dat maakt Huis73 nog steeds geen fout project. Maar het verandert wel de vraag. Misschien bouwden we niet voor €13 miljoen extra “een bibliotheek voor iedereen”, maar kochten we voor ongeveer een miljoen per jaar een luxer cultureel verblijfsgebouw waarvan een opvallend groot deel van het feitelijke extra gebruik bestaat uit gratis verwarmde, gekoelde en ingerichte werkruimte voor studenten en theoretisch opgeleiden.
En terwijl Den Bosch trots naar het resultaat kijkt, kijkt de volgende gemeente alweer naar Den Bosch, Tilburg, Groningen en Utrecht. Daar verschijnt de foto van het prijswinnende gebouw in een presentatie, gevolgd door de zin die in dit soort systemen bijna vanzelf ontstaat: “Wij kunnen natuurlijk niet achterblijven.”
Misschien is dat uiteindelijk de interessantste uitkomst van deze hele exercitie. Niet dat één bibliotheek te duur is, maar dat iedere geslaagde prestigevoorziening helpt bepalen hoeveel de volgende bibliotheek voortaan geacht wordt te kosten.
Bronnen en cijfers
Gebruikte aanknopingspunten zijn onder meer de gemeentelijke stukken over de renovatie van Huis73; informatie van Huis73 over de uitbreiding naar 200 studieplaatsen en circa 1.000 m² extra publieke ruimte; landelijke cijfers over bibliotheek- en cultuurbezoek naar opleidingsniveau; CBS-cijfers over het opleidingsniveau in ‘s-Hertogenbosch; gegevens van Avans en HAS green academy over studentenaantallen; onderzoek naar de opleidingssamenstelling van gemeenteraden; en de Nederlandse MKBA-richtlijn met een reële discontovoet van 2,8%. De bedragen per gebruiksuur en de verdeling 60/40, 70/30, 75% hogeronderwijsgebruik enzovoort zijn expliciete scenario-aannames waarmee de orde van grootte wordt verkend en kunnen worden aangepast zodra betere lokale gebruiksgegevens beschikbaar komen.