843 Een buizen preamp met warme klank

Door de aankoop van een Creek hoofdtelefoonversterker (zonder voeding) en wat Audio Alchemy vintage spullen (ook zonder voeding), ben ik weer op mijn oude audio-pad terecht gekomen. Audio-pad? Ja, in het verleden heb ik heel wat uurtjes en geld verspijkerd aan het ontwerpen, maken, modificeren van audio-apparatuur. Ergens in 2018/2019 hield ik het voor gezien en ben terug gegaan naar een simpele set-up en achtergrond geluid via streaming. Oeps. Mijn oude artikelen, mooie opdracht voor AI, heb ik nog een keer op een rij gezet en die zijn nu hier te downloaden.

Een van de laatste versterkers die ik heb gebouwd is een voorversterker met buizen ergens in 2018. Door de schermutseling met de net aangeschafte 2e hands spulletjes, voelde ik ergens de behoefte deze amp van de stapel te halen en in de keten te plaatsen. Achteraf bezien vond ik dit de meest geslaagde voorversterker die ik ooit heb bedacht en gemaakt. En dat zegt wel iets, want ik heb zeker 30 voorversterkers door mijn handen zien gaan, met buizen, transistoren, hybride, triodes, pentodes, klasse-A, opamps, old skool en modern. Nooit ben ik ergens heel enthousiast van geworden. Voorversterkers zijn ingewikkeld, vind ik, niet technisch gezien maar qua concept. Eigenlijk hoef een voorversterker maar weinig te doen, vooral het signaal verzwakken (potmeter) en het is handig als je wat bronnen kunt schakelen. Zo’n ding klinkt dan idealiter nergens naar, gewoon naar niks. Dus waarom zou je hier niet een simpele potmeter achter je bron zetten? Tja, een vraag waar veel discussie over is. Misschien moet je nog wat impedanties op elkaar laten aansluiten zodat je langere kabels kunt gebruiken. Hier wordt het al snel te technisch, maar mijn ervaring is altijd geweest dat een zogenaamde passieve voorversterker (potmeter zonder elektronica eromheen) niet lekker klinkt, te kaal, leeg, er mist iets.

Verder is een voorversterker iets dat in het aanzicht staat, dus je wilt een lekker kastje met wat knoppen dat een beetje fatsoenlijk oogt. Bij een eindversterker is dat minder van belang, die kunt je ergens achter een kast zetten en er hoeft alleen maar een aan/uit schakelaar op. Heel geleidelijk ben ik van mijn oude filosofie afgestapt, ik kreeg steeds minder lol in het luisteren naar muziek, kan ook met leeftijd te maken hebben. Ik ontdekte (weer) de oude versterkertjes uit de jaren 60 en begin jaren 70. Vooral van Europese toen nog degelijke makelij. Denk aan merken als Philips, Grundig, Telefunken, Dual, Transmare. Toen klonk een versterker nog niet neutraal maar lekker warm en vol. Later, ergens in de 70ties en vooral in de Japanse apparaten, kwam de neutrale versterker in zwang. Het ging om de specs en lage vervorming en de toonregeling verdween van de kasten. Alles ging neutraal en strak klinken. Het moest kneiterhard kunnen gaan en niet vervormen, alle details in het geluid bleven belangrijk. Een eigen klank kreeg je door je kabels te kiezen, met buizen te werken, klasse-A, een draaitafel met MC-element … allemaal manieren om via een dure omweg weer wat sjeu in je muziek te brengen. Ik overdrijf uiteraard.

Oja, alle voorversterkers gaan veel te hard. Sinds we de CD hebben geven onze bronnen zo’n 2V aan de ingang van de voorversterker af. Daarvoor (tuners, draaitafels met wat correctie en versterking) ging het om zo’n 500mv. Versterkers zijn daarna nauwelijks veranderd qua concept, de voorversterkers bleven gerust 10x of meer versterken, waardoor je met je volume-regeling in de knoop kwam (je kwam nooit verder dan 10-11 uur en om het precies lekker zachtjes te zetten had je te weinig speelruimte, kreeg je kanaalongelijkheid etc). Na mijn hernieuwde kennismaking met de oude kleurbakkies wilde ik pas de ‘rechte draad met versterking’ die een versterker zou moeten zijn loslaten. Net toen ik de hobby vaarwel ging zeggen, kreeg ik dus pas een beeld van wat ik in een voorversterker zocht:

  • Simpele opzet, weinig onderdelen, geen complexe schakeling.
  • Bescheiden versterking, zeg ergens tussen de 2-4 keer.
  • Mogelijkheid om het geluid aan te passen aan de beperkingen van je oren en/of ruimte.
  • Leren van de oude warme versterkers, kijk naar de toen toegepaste loudness- of contour regelingen, neem een Philips 590, een Dual CV12 of een Transmare A500 als voorbeeld.
  • Buizen, toch de beste ervaringen mee, icm weinig versterking (en weinig tegenkoppeling) kom je uit op een universeel buisje als de ECC82 of de 6SN7 (hier is veel meer te kiezen, maar makkelijk verkrijgbaar, geen gedoe, prima start).
  • Ook de voeding heeft in mijn ervaring veel invloed, waarom ook hier geen buis, uitproberen maar.

Het is me in 2018 dus gelukt dat allemaal te bereiken. Ik heb er weinig plezier van mogen hebben omdat ik zoals gezegd naar de oude vintage dingen ben gaan luisteren op achtergrond-nivau. Ik heb mijn bouwsel uit 2018 er weer bij gepakt en ik was weer verbaasd (icm Creek en Audio Alchemy dac) hoe zwoel en warm en heerlijk zo’n buis klinkt. Weg met die neutraliteit, dit is gewoon meer genieten. Helaas heb ik toen niet de moeite genomen alles goed te documenteren. Ik heb nog wel oude simulatie-bestanden uit het programma LT Spice (maar niet meer werkend op de pc staan) en wat kladjes (terug kunnen vinden). Gelukkig hebben we nu AI en kan ik de historie reconstrueren. Vooral voor mezelf, nieuwsgierig, maar en passant wil ik met AI een nieuw artikel (laten) schrijven met de titel ‘TTP-amp’: een Tube-Tone-Pre amplifier. Een kleurbakkie die zich lekker niks aantrekt van wat volgens audiofielen hoort en moet.

Reconstructie met AI

Een voorversterker die me qua schema aansprak was de Audio Innovations L2, die heb ik als basis genomen voor mijn experimenten.

Dit is hem dan. Ik heb deze zelf ook een tijd in huis gehad. De schakeling bevat een halve ECC82 per kanaal en uniek is dat de versterking mooi passend is. Dat is gedaan door de uitgang terug te koppelen naar de ingang, zie je nauwelijks. Verder nog wat gepiel met andere buizen op een plek die ik niet heel zinvol vindt, wordt ook onnodig complex, ik zeg gimmickjes om het geheel wat cachet te geven. Niks mis mee, maar kleurloos en voor mij voegde het weinig toe, ook weer van de hand gedaan. Maar zoals gezegd, als basis leek het me een prima start voor zelfbouw.

Qua geluid en kleuring laat ik hier de Philips 590 uit 1969 zien. Hier kun je lekker veel zelf instellen. Toonregeling en ingebouwde ‘loudness’ (veul laag erbij gepompt bij lage luistervolumes). Ik had vele andere versterkers uit die tijd kunnen nemen, Duals, Grundigs, Saba’s, Nordmendes … de lijst is eindeloos. Loudness of contour was toen heel normaal en vaak zelfs ingebouwd zonder dat je het wist. Het zou meerdere artikelen vergen dit concept uit te leggen. Het is gebaseerd op oude onderzoeken van Mundell-Munson die vonden dat onze oren bij lage volumes minder gevoelig zijn voor lage en hoge tonen. Dus dat moest gecorrigeerd worden in de versterker, juist om de zaak voor je oren lineair te maken! Deze versterkers gebruikte speciale potmeters en een aparte aftakking zodat bij een hoger volume de correctie kleiner werd en bij nog hoger volume werd het geluid weer helemaal recht en neutraal. In de praktijk werkte dat vaak niet optimaal omdat bronnen en luidsprekers anders zijn en de versterker daar geen rekening mee houdt. Ik heb veel uitgeprobeerd met moderne potmeters die ook zo’n extra aansluiting hebben, maar nooit goede resultaten mee bereikt. Ik heb de manuals uit die tijd erbij gehaald en met LT Spice de klankregelingen proberen na te bootsen, uitgaande van het ECC82 basis-circuit. Ik nam genoegen met een soort gouden middenstand (omdat ik vaak bij hetzelfde volume luister, ik accepteer dan dat het bij wat zachter of harder niet meer ideaal is) om een gewone pot te kunnen gebruiken.

Om je een idee te geven van wat de loudness betekende voor zo’n oude versterker. Een fragment uit een service-manual van Dual. Bij de pot helemaal open (vol volume) is de lijn recht/neutraal en naarmate je zachter luister worden de uiteinden van de spectrum opgehaald.

Een lang verhaal kort: waar ik uiteindelijk op uit ben gekomen, dat is waarschijnlijk terecht gekomen in een kladje en dat kon ik nauwelijks meer lezen. Dus ik ga met AI aan de slag om mijn eigen geheugen op te frissen.

Dit vond ik dus nog in een oude doos, kon me er weinig meer van herinneren, weet ook niet 100% zeker of dit de laatste versie is die ik nu in gebruik heb, maar vooral kan ik het zelf niet goed meer lezen. De basis is een halve ECC82 die via de terugkoppeling van uitgang naar ingang de gewenste klankcorrectie krijgt. De diverse waarden zijn gevonden door LT spice en te vergelijken met oude ampies en trial&error. Gelukkig staat een een file-naam onder de tekening en die heb ik terug gevonden op mijn harde schijf.

Mijn terug gevonden kladje. Kan AI dit lezen? Nee natuurlijk niet, dat is vooral veel op en neer praten en corrigeren en sturen.

Dan komt er na wat iteraties toch dit schema uitrollen. Ik denk dat het zo werkt maar in mijn tekening moet de 10uf de 1uf worden en kan de 1uf met 100k weg worden gehaald.

Weer wat versies later en met een verhaaltje erbij met achtergronden:

Bijna goed ditmaal. Omdat ik geen ouderwetse pot gebruik moet ik trucjes bedenken om met wat standen in de tegenkoppeling de klank aan te passen. Dat kan op 2 manieren: je kunt een schakelaar gebruiken die kiest tussen 22nf (veel bas) of 10nf (minder bas), ofwel gebruik je ipv de 100k weerstand een variabele lineaire pot van 250k (hoe lager hoe minder bas). De tekening laat hier een fout zien want die 100k wordt kortgesloten (schrap die lijn).

De correcties die je krijgt met het schema en wat varianten door eventueel een switch of potmeter op te nemen. Netjes en bescheiden en voor mij net voldoende voor de gewenste kleuring.

Ali-spul en voeding

Ik ga over naar een belangrijke tussenstap, of eigenlijk 2 tussenstappen. Een print van Ali en een zelfbedachte (unieke!) voeding. Wat in die tijd ook nog volop kon (en nu door beschermingsmaatregelen sterk is terug gedrongen) is snuffelen op AliExpress en daar de keus hebben uit allerlei wel of niet gejatte printjes al dan niet met opgesoldeerde onderdelen. Zo kwam ik op enig moment tijdens mijn TTP-amp op deze print uit:

Geniaal eigenlijk. Laten we eens kijken. Een enkele 6SN7 in stereo uitvoering. Precies wat we zoeken en een variant van de eerdere L2 uitvoering. De 6SN7 vind ik ook geiniger dan de ECC82, dus helemaal prima. En wat te denken van de horizontale opstelling van de buis? Op deze manier kan ik de print makkelijk en netjes opbergen in een bestaande kast, kom ik zo nog op terug. Maar wat is er echt uniek? Dat het hele spul werkt op een externe voeding van 12V. Wow! Je kunt een dump-voeding kopen in de kringloop (van oude apparaten, er zijn er echt volop te koop voor weinig) en deze print maakt er zowel 250V hoogspanning van als ook via een andere technische truc 6.3V (de 12V wordt omlaag getransformeerd). Simpel is de schakeling nu niet meer, maar ja, wat kan het schelen, ik vrees alleen voor een defect want een schema zit er niet bij. Ik heb deze print gebruikt en deels leeg gehaald om zo mijn eigen experimenten mee uit te voeren. Uiteindelijk vond ik het prima klinken maar zoals gezegd wilde ik ook een buis voor de voeding gaan gebruiken. Ergens zit al die elektronica me ook niet lekker.

Via de site van ’tubejack’ kwam ik op het idee om een spanningsverdubbelaar te gebruiken. Jack heeft een oude tuner van Akai onder handen genomen, daar een buis in gezet en de voeding voor die buis gemaakt op basis van een aanwezige normale laagspanning. Zo kwam hij uit op 63V en volgens zijn verslag werkte de Akai als een zonnetje. Maar geen buizenvoeding! Jack gebruikt slechts 2 diodes om van 28V naar die 63V te gaan. Met een gewone gelijkricht buis zou met dat niet gaan lukken, bovendien moet ik dan 2 van die buizen gebruiken. Dat gaat me veel te ver, bovendien zijn die buizen (EZ80/81) duur en heb ik een grote schaarse trafo nodig. Afgesloten weg. Dit heeft even staan borrelen totdat ik op het lumineuze idee kwam om ook hier weer een ECC82 te gaan gebruiken waarbij ik beide helften als diodes zou gaan inzetten. De 12V dumptrafo kon ik wederom gebruiken voor de gloeidraad en de ‘hoogspanning’ kon ik goedkoop opwekken vanuit een printtrafo van 30-0-30V die overal voor zeg €5 te koop zijn. En een bron voor deze vondst heb ik niet, ik beschouw mezelf als de bedenker en uitvinder!! Trots.

Dit vond ik bij Jack en zijn Akai-tuner. Knap gedaan hoor, in oude tuner een octal-buis verstoppen en met minimale onderdelen ook de voeding er nog bij bedenken. Ik heb de D1 en D2 vervangen voor halve ECC82’s als diode geschakeld en kocht er een klein trafootje bij van 2x30V=60V zodat ik na belasting zo’n 115V op de schakeling krijg.

Ik heb uitgebreid met de ingewikkelde voeding van 250V en de buizenvoeding van 125V geluisterd. Ik heb het zo gemaakt dat ik de voeding via een switch kan omschakelen. Het resultaat is duidelijk: de buizenvoeding wint het glansrijk en de Ali-voeding wordt feitelijk niet meer gebruikt. Nu moeten we wel oppassen met conclusies trekken. Door het omschakelen ga ik niet alleen naar een andere voeding luisteren maar ook naar een andere instelling van de buis. Als ik alleen de spanning verlaag komt de buis in een minder lineair gebied en komt er wat aangename vervorming bij. Voor een betere vergelijking moet je de anode-weerstand aanpassen van 47k naar 22k omdat zo de buis ongeveer in hetzelfde lineaire gebied blijft opereren. We kunnen uit ervaring nu stellen dat de beweging van 250v/47k naar 125v/22k naar 125V/47k een geleidelijke overgang is van ‘loudness’ met wat koudere randjes naar een zoete ‘voicing’ van de amp. Nu pas kom ik tot de ontdekking dat mijn eindversie minder ‘loudness’ is dan een subtiele beïnvloeding van de klank naar mijn wensen. Subtiel? Ja, want bedenk dat de curve nog steeds binnen een DIN hifi norm uit die tijd valt van 20-20kHz binnen 3dB en een vervorming THD lager dan 1%.

Het hele spul los van voeding ingebouwd in deze NAD voorversterker. Dus ik gebruik volume, keuzeschakelaar, balans etc van de bestaande versterker en het signaal gaat via een aparte uitgang door de diy 6SN7 eigen schakeling.

Een eerdere versie van de voeding. Je ziet hier vooraan een 12SN7 die is geschakeld als dubbeldiode. De 12V dumpvoeding zit links aan de kast gelijmd. Intern zit een 30-0-30V print-trafo die zorgt voor 125V gelijkspanning.

Een latere en veel nettere versie van de externe voeding. Van binnen weer een 30-0-30V trafo, een dump-trafo van 12V (5A), en een buck-converter die van 12V naar 6.3V gaat. Bovenop naar keuze ofwel een 6SN7 ofwel een ECC82 voor de gelijkrichting.

Dat is het wel zo’n beetje. Ik heb AI ook een compleet artikel laten maken obv mijn honderden pagina’s met versies en discussies en vragen. Download hier het AI artikel en neem verantwoording voor de fouten die er ongetwijfeld nog inzitten haha.



Extra informatie

De TTP-Amp: klassieke hifi met een bewust warme afstemming

De TTP-Amp is ontworpen met een bewust gekozen warme klankafstemming, geïnspireerd op de Europese hifi-versterkers uit de jaren zestig. De karakteristiek sluit aan bij de toleranties die destijds gebruikelijk waren, onder meer rond de Duitse DIN 45500-hifistandaard uit 1966. Dat plaatst het ontwerp in een nuchter, historisch perspectief. Wat audiofielen tegenwoordig soms beschouwen als een sterk kleurende schakeling, kan meettechnisch nog altijd binnen de toleranties van klassieke High Fidelity vallen.

1. Frequentiekarakteristiek: 20 Hz tot 20 kHz binnen een venster van 3 dB

Als ontwerpcriterium hanteren we een maximale spreiding van 3 dB over het gehele audiospectrum. Dat betekent dat het verschil tussen het hoogste en laagste niveau niet groter mag zijn dan 3 dB.

In de stand 10 nF (strakker laag):

  • Laag bij 50 Hz: circa +1,8 tot +2,3 dB.
  • Middengebied bij 1 kHz: 0,0 dB (referentie).
  • Hoog bij 15 kHz: circa +1,2 dB.

Deze karakteristiek blijft naar verwachting over vrijwel het gehele bereik binnen een venster van ongeveer 2,5 dB. Daarmee voldoet deze instelling aan het gekozen ontwerpcriterium van 3 dB. In de stand 22 nF (vollere klank, bij een anodeweerstand van 47 kΩ): In deze instelling kan de basversterking oplopen tot circa +3,0 à +3,5 dB rond 30 Hz. Over het belangrijkste muzikale bereik, van 50 Hz tot 20 kHz, blijft de afwijking naar verwachting beperkt tot ongeveer 2,5 à 3 dB. Ter vergelijking: een klassieke luidspreker uit dezelfde periode kon in een normale luisterruimte gemakkelijk frequentieafwijkingen van meerdere decibels vertonen, bijvoorbeeld ±4 tot ±6 dB. De kleine, bewust aangebrachte afwijkingen van de TTP-Amp moeten dus ook in verhouding tot de eigenschappen van de volledige weergaveketen worden gezien.

2. Totale harmonische vervorming: streven naar minder dan 1%

Een tweede belangrijk ontwerpcriterium is een totale harmonische vervorming (THD) van minder dan 1%. Bij de TTP-Amp wordt niet gestreefd naar de absoluut laagste vervormingscijfers. Het uitgangspunt is een eenvoudige buizenschakeling waarin een geringe hoeveelheid harmonische vervorming acceptabel is, zolang deze beheerst blijft.

Bij de warmste instelling:

  • Beoogde anodespanning: circa 115 tot 125 V.
  • Anodeweerstand: 47 kΩ.
  • Veronderstelde ruststroom: circa 1,25 mA.
  • Normaal uitgangsniveau: circa 0,5 tot 1 V RMS.
  • Voorlopige THD-indicatie: circa 0,25 tot 0,45%.

Door de relatief lage ruststroom en de niet-lineaire buiskarakteristiek ontstaat een zekere asymmetrie in het versterkingsgedrag. De lokale tegenkoppeling via de kathode en de globale tegenkoppeling via het rooster helpen de vervorming te beperken. Het ontwerp is erop gericht vooral de tweede harmonische (H2) te laten domineren, terwijl de derde harmonische (H3) en hogere harmonischen zo klein mogelijk blijven. Of de tweede harmonische daadwerkelijk meer dan 90% van de totale harmonische vervorming vertegenwoordigt, moet nog met een volledige harmonische analyse worden vastgesteld. Wanneer een THD van circa 0,3% wordt bereikt, ligt die ruim onder het gekozen maximum van 1%.

3. De nuchtere nuancering

In de moderne audiowereld zijn we gewend geraakt aan specificaties met talloze nullen achter de komma, zoals 0,0005% THD en frequentiekarakteristieken die binnen ±0,05 dB recht blijven. Daardoor is ons referentiekader verschoven. Een milde frequentieafwijking wordt tegenwoordig soms al beschouwd als een ongewenste kleuring, terwijl een geringe hoeveelheid harmonische vervorming vaak bij voorbaat als een tekortkoming wordt gezien. Historisch gezien kiest de TTP-Amp voor een ander uitgangspunt.

1. Klassieke hifi als referentie

De versterker is ontworpen om te voldoen aan een frequentiebereik van 20 tot 20.000 Hz met een maximale spreiding van ongeveer 3 dB en een totale harmonische vervorming beneden 1%. Dit zijn bewuste ontwerpcriteria, geïnspireerd op de hifi-traditie van de jaren zestig. De definitieve prestaties moeten met metingen of een gevalideerd buismodel worden bevestigd.

2. Doelgerichte benutting van de beschikbare marges

In plaats van koste wat kost naar een volledig rechte frequentiekarakteristiek te streven, benut het ontwerp een deel van de beschikbare tolerantie bewust voor een aangenamere luisterbalans. De lichte laag- en hoogcorrectie is bedoeld om bij bescheiden luistervolumes de verminderde gevoeligheid van het menselijk gehoor gedeeltelijk te compenseren. Daarbij is de TTP-Amp vooral afgestemd op ontspannen luisteren, bij een geluidsniveau van ongeveer 65 tot 70 dB.

4. Warmte zonder overdrijving

De TTP-Amp is geen effectenapparaat dat het oorspronkelijke muzieksignaal ingrijpend verandert. Het uitgangspunt is juist een beheerste afwijking van de technisch rechte lijn, geïnspireerd op de klankbalans van klassieke Europese versterkers uit de jaren zestig. De subtiele loudnesscurve geeft bij rustig luisteren wat extra fundament aan het laag en behoudt voldoende openheid in het hoog. Een bescheiden aandeel tweede harmonische kan daarnaast bijdragen aan de subjectief ervaren warmte en rondheid, al moet de daadwerkelijke harmonische samenstelling nog worden vastgesteld. Daarmee ontstaat een andere ontwerpfilosofie dan die van de moderne, vrijwel volmaakt lineaire voorversterker.

Niet de laagst mogelijke meetwaarde is het einddoel, maar een technisch beheerste, muzikaal aangename weergave binnen bewust gekozen hifi-grenzen.

De TTP-Amp probeert die gedachte met een minimum aan onderdelen te realiseren: één ECC82, met één triodesysteem per stereokanaal, een bescheiden spanningsversterking en een zorgvuldig gekozen frequentieafhankelijke tegenkoppeling.


TTP-Amp: een regelbare loudnesscorrectie voor elk luistervolume

Het idee om de TTP-Amp uit te rusten met een drie- of vierstanden-draaischakelaar, of zelfs een traploos regelbare potentiometer, sluit uitstekend aan bij het oorspronkelijke uitgangspunt van de versterker: een eenvoudige buizenschakeling met een fysiologisch aangepaste frequentiekarakteristiek. De klassieke Europese versterkers uit de jaren zestig beschikten vaak over een volumepotentiometer met een extra aftakking. Daarmee veranderde de loudnesscorrectie automatisch met de stand van de volumeregelaar. Bij zacht luisteren werden vooral de lage tonen extra benadrukt. Naarmate het volume toenam, verdween die correctie geleidelijk en werd de frequentiekarakteristiek steeds vlakker. Met de TTP-Amp kunnen we hetzelfde principe benaderen, maar dan met een afzonderlijke contourregeling. De uitdaging is om dit met zo weinig mogelijk extra onderdelen te realiseren.

1. Waar zit de sleutel? In de terugkoppeling

De TTP-Amp gebruikt verschillende frequentieafhankelijke netwerken die gezamenlijk de uiteindelijke klankbalans bepalen. Twee onderdelen zijn daarbij bijzonder belangrijk.

De kathodeschakeling: 680 ohm parallel aan 47 nF

Dit netwerk beïnvloedt vooral de hogere frequenties. De gedeeltelijke ontkoppeling van de kathodeweerstand vermindert bij oplopende frequentie de lokale tegenkoppeling. Hierdoor kan een lichte hoogoploop ontstaan. In het oorspronkelijke ontwerp bedraagt deze volgens de voorlopige berekeningen ongeveer 1 tot 1,5 dB in het hoogste deel van het audiogebied. Deze correctie kan vooralsnog vast blijven. Zij hoeft niet noodzakelijk mee te veranderen met de volumestand.

De anode-roosterterugkoppeling: R4 in serie met R6 parallel aan C3

In dit netwerk wordt de belangrijkste laagcorrectie gevormd. De weerstand R4 bepaalt samen met de overige circuitonderdelen de algemene mate van negatieve terugkoppeling. De parallelcombinatie van R6 en C3 maakt deze terugkoppeling frequentieafhankelijk. Bij lage frequenties heeft C3 een relatief hoge impedantie. Daardoor speelt R6 een grotere rol en neemt de negatieve terugkoppeling af. Bij hogere frequenties daalt de impedantie van C3. De condensator overbrugt R6 steeds sterker, waardoor de negatieve terugkoppeling toeneemt. Het resultaat is een hogere versterking in het laag dan in het middengebied: de gewenste loudnesscorrectie.

Het belangrijke inzicht

Door R6 te veranderen, kan de sterkte van de bascorrectie worden geregeld zonder de volledige versterkerschakeling aan te passen. De versterking rond 1 kHz blijft daarbij naar verwachting betrekkelijk constant, hoewel kleine veranderingen mogelijk zijn door de interactie tussen de verschillende netwerken. Zo ontstaat een eenvoudige manier om de klankbalans aan te passen aan het gewenste luistervolume.

2. Twee praktische oplossingen

Optie A: een vierstanden-draaischakelaar

De eerste mogelijkheid is een vierstanden-draaischakelaar waarmee vier verschillende waarden voor R6 worden gekozen. C3 blijft daarbij een vaste condensator van 22 nF. De volgende instellingen zijn een bruikbaar uitgangspunt voor verdere simulatie en luisterproeven.

Stand 1: Lineair — normaal tot hoger luistervolume

R6 = 0 ohm. De weerstand wordt overbrugd, waardoor de frequentieafhankelijke werking van dit deel van het terugkoppelnetwerk verdwijnt. De bascorrectie wordt hiermee praktisch uitgeschakeld. Eventuele frequentiecorrecties uit andere delen van de schakeling blijven wel bestaan. Deze stand is bedoeld voor een neutrale weergave, bijvoorbeeld bij een luistervolume van 80 dB SPL of hoger.

Stand 2: Dagvolume — circa 75 dB SPL

R6 = 33 kohm. Deze instelling geeft een bescheiden bascorrectie, bedoeld om bij een normaal huiskamervolume wat extra fundament aan de weergave te geven. Een voorlopige ontwerpindicatie is ongeveer 1 tot 2 dB extra laag. De exacte waarde hangt af van de overige componenten en moet nog worden doorgerekend.

Stand 3: Rustig huiskamervolume — circa 65 tot 70 dB SPL

R6 = 82 kohm. Dit is de belangrijkste instelling voor het beoogde gebruik van de TTP-Amp. De bascorrectie is duidelijker aanwezig, maar moet subtiel genoeg blijven om stemmen en instrumenten natuurlijk weer te geven. Als voorlopig ontwerpdoel kan een basverhoging van ongeveer 3 tot 4 dB worden aangehouden. Hiermee wordt de warme, volle weergave benaderd die kenmerkend was voor diverse Europese versterkers uit de jaren zestig.

Stand 4: Avondvolume — circa 55 dB SPL

R6 = 150 kohm. Bij zeer zacht luisteren neemt de gevoeligheid van het menselijke gehoor voor lage frequenties sterk af. Deze instelling is bedoeld om daarvoor een nadrukkelijkere compensatie te bieden. Een voorlopig ontwerpdoel is een basverhoging van ongeveer 5 tot 6 dB. Of deze waarden met de gekozen componenten werkelijk worden bereikt, moet nog uit een simulatie blijken. De gedachte achter deze vier standen is eenvoudig: hoe zachter de muziek wordt weergegeven, des te sterker mag de bascorrectie zijn.

Voordelen van de draaischakelaar

Een vierstandenregeling is overzichtelijk, reproduceerbaar en technisch eenvoudig. Iedere stand heeft een vaste functie. Bovendien kunnen de gekozen waarden later worden aangepast op basis van metingen en luisterervaringen. Voor stereo is een schakelaar met twee identieke secties nodig, één voor ieder kanaal. Het terugkoppelnetwerk is in beginsel gelijkspanningsvrij wanneer de anodespanning via een koppelcondensator is gescheiden. Toch kunnen bij het schakelen kleine spanningssprongen en hoorbare tikken ontstaan. Een geschikte schakelaar en zorgvuldige bedrading blijven daarom belangrijk.

Optie B: een traploze contourregeling

Een tweede mogelijkheid is een lineaire potentiometer van 250 kohm op de plaats van R6, parallel aan de vaste condensator C3 van 22 nF. Hiermee kan de weerstand continu worden veranderd van vrijwel nul tot maximaal 250 kohm.

Potentiometer geheel linksom: 0 ohm

De terugkoppeltak wordt op deze plaats praktisch frequentieonafhankelijk. De laagcorrectie verdwijnt grotendeels, waardoor een relatief neutrale weergave ontstaat.

Potentiometer in de middenstand

Er ontstaat een matige hoeveelheid bascorrectie. Deze stand kan worden gebruikt voor een normaal tot rustig luistervolume.

Potentiometer geheel rechtsom: 250 kohm

De frequentieafhankelijke terugkoppeling wordt sterker geaccentueerd. Hierdoor neemt de basversterking toe. Een verhoging tot ongeveer 7 dB kan als experimenteel ontwerpdoel worden onderzocht, maar is met de huidige schakeling nog niet bevestigd.

Het voordeel is dat de luisteraar niet gebonden is aan vier vaste standen. De contour kan precies op gehoor worden ingesteld, afhankelijk van het luistervolume, de opname, de luidsprekers en de persoonlijke voorkeur. Voor stereo is een dubbele lineaire potentiometer nodig, zodat beide kanalen gelijktijdig en zo gelijk mogelijk worden ingesteld.

3. Is deze regeling ingewikkeld om in te bouwen?

Nee. Juist de bestaande terugkoppelschakeling maakt het mogelijk om met weinig extra onderdelen een regelbare contour te realiseren. In de eenvoudigste uitvoering zijn slechts drie uitgangspunten van belang:

  1. De kathodeschakeling blijft ongewijzigd.
  2. De volumeregelaar vóór de ECC82 en de uitgangskoppeling blijven behouden.
  3. Alleen R6 in het frequentieafhankelijke terugkoppelnetwerk wordt omschakelbaar of regelbaar gemaakt.

Bij een vierstandenregeling wordt R6 vervangen door vier selecteerbare weerstandswaarden. Bij een traploze regeling wordt R6 vervangen door een lineaire stereopotentiometer van 250 kohm. C3 van 22 nF blijft in beide gevallen parallel aan de regelbare weerstand aangesloten. Een aparte omschakeling tussen 10 nF en 22 nF is dan niet noodzakelijk. De regelbare weerstand neemt immers de functie van de verschillende contourinstellingen over.

4. Van vaste loudness naar persoonlijke afstemming

De klassieke loudnessregeling was doorgaans gekoppeld aan de volumepotentiometer. Daardoor verliep de correctie automatisch. Dat was praktisch, maar niet altijd optimaal. De werkelijke geluidssterkte hangt immers niet uitsluitend af van de volumestand. Ook de uitgangsspanning van de bron, de versterking van de eindversterker, de gevoeligheid van de luidsprekers en de akoestiek van de luisterruimte spelen een rol. Met een afzonderlijke contourregeling wordt die afhankelijkheid doorbroken. De luisteraar kiest eerst het gewenste geluidsniveau en stelt vervolgens de klankbalans in. Bij de TTP-Amp is het belangrijkste uitgangspunt een rustig luistervolume van ongeveer 65 tot 70 dB SPL. Op dat niveau moet de versterker een volle en ontspannen weergave bieden, zonder overdreven bas of scherpte in het hoog. Bij hogere volumes kan de contour worden verminderd of vrijwel uitgeschakeld. Bij zeer zacht luisteren kan juist iets meer correctie worden toegevoegd. Daarmee wordt de gedachte achter de klassieke fysiologische volumeregeling behouden, maar krijgt de luisteraar meer vrijheid.

5. Welke oplossing verdient de voorkeur?

Beide oplossingen passen bij het minimalistische karakter van de TTP-Amp. De vierstanden-draaischakelaar heeft als voordeel dat de instellingen steeds exact reproduceerbaar zijn. Dat maakt vergelijking, documentatie en technische optimalisatie eenvoudiger. De traploze potentiometer biedt daarentegen meer vrijheid om de klankbalans precies op het gehoor af te stemmen. Voor een experimentele voorversterker lijkt de vierstandenregeling daarom een aantrekkelijk uitgangspunt. Na het vaststellen van de gewenste karakteristieken kan eventueel alsnog voor een traploze uitvoering worden gekozen.

6. De oorspronkelijke gedachte blijft overeind

De TTP-Amp is geen poging om een moderne voorversterker met uitgebreide digitale signaalbewerking na te bouwen. Het uitgangspunt is juist het tegenovergestelde: een eenvoudige buizenschakeling met een minimum aan onderdelen, waarin de frequentieafhankelijke tegenkoppeling doelbewust wordt gebruikt om een prettige luisterbalans te verkrijgen. Eén ECC82, met een halve triode per kanaal, een bescheiden spanningsversterking en een eenvoudige regelbare contour vormen de kern. Zo wordt de klassieke loudnessgedachte uit de jaren zestig opnieuw toepasbaar gemaakt. Niet als een starre correctie die alleen bij één volumestand klopt, maar als een subtiel instelbare afstemming voor verschillende luistersituaties.

Het doel blijft hetzelfde: niet de meest spectaculaire meetcurve, maar een natuurlijke, volle en ontspannen muziekweergave, juist wanneer er zacht wordt geluisterd.


Wat zouden ‘we’ nu doen anno 2026?

Allemaal leuk en aardig die reconstructie en duik in verleden. Maar nu zijn we in de gelegenheid AI de vraag opnieuw voor te leggen. Maak from scratch een schema die aan mijn eisen en wensen voldoet. Benieuwd waar ie mee komt. Na het zien van het antwoord: teleurstellend, vooral herhaling van zetten. Dus maar weer aan de gang, opvallend dat ik weer met de ideeën moet komen aanzetten, in dit geval van de dubbele potmeters aan de voorkant van de schakeling.

Previous Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*