761 Papier-arbeid in het bankmodel (6)

Nu we vertrouwen hebben (beginnen te krijgen) in de mogelijkheid een nieuw verbeterd bankmodel te maken, gaan we weer naar de inhoud. Mijn oorspronkelijke productiefunctie van de bank, waar de bank arbeid nodig had om ‘geld te maken’, is nog steeds zo gek niet. AI gaat mee met mijn redenering (sure) maar stelt een ruimere interpretatie voor, het gaat om een ‘servicing functie’ van de bank waarin naast arbeid nog andere inputs kunnen zitten. Er komt het voorstel om binnen die banksector onderscheid te maken tussen productieve arbeid en niet-productieve arbeid. We komen tot een eerste zet richting een model waarin banken moeite gaan doen extra spullen te verkopen, hun eigen vraag te creëren.

Ik laat hieronder enkele snippets (fragmenten) uit de discussie zien. Het is verleidelijk snel mee te gaan in de voorstellen maar zo werkt het helaas (?) niet. Geen probleem ook als je niet alles meteen kunt volgen, kan ik ook niet. Maar hoezo kan een bank niet-productieve arbeid inhuren en wie neemt dan die ‘onzin-producten’ af? Helemaal onderaan laat ik daarom zo’n opmerking zien en je merkt dat AI dan weer toe moet geven dat dat inderdaad nog niet helemaal consistent is uitgewerkt en dus blabla.

Anyway, we zijn de reis nu aan het maken in tussenstappen naar een meer ‘passend’ model, maar we zijn er nog lang niet. Inmiddels weet ik dat we naast het oermodel M1, uit zullen komen bij M2v2 en model M3-P. Een tweede model M2 en daar dan een versie van waarin de economie meer laat zien van het onttrekken van nuttige arbeid door banken en waarin banken expliciet moeite doen (weerstand bieden) om bij afname van de vraag mbv marketing nieuwe vraag te creëren (maatschappelijke kosten). In model M3-P (met de P van Papier) gaan we nog een stapje verder en zien we de kern van actuele discussies terug. Onze economie bestaat uit steeds meer bull-shit jobs waarin papier wordt verschoven, regels bedacht, commissies gevormd, reclame wordt gemaakt. De bank wordt ‘bank-plus’ en staat symbool voor de papiermakende industrie van de hoogopgeleide ‘elite’ die door zichzelf uit te breiden steeds meer afroomt van de ‘werkende klasse’ die zo steeds meer onder druk komt te staan omdat een kleiner deel van de consumptie mag en kan besteden. De kosten van een energietransitie vertalen zich dan in een afromings-operatie door de elite aka ‘kletsende klasse’ in de termen van Ewald Engelen.

Maar zover is het nog niet, eerst deze tussenversie en het gesprek daarover.


Aha dus het model met bank en berekening is perfect gereproduceerd. Ik merk tussentijds nog op dat krediet maken arbeid kost toch minder gek is dan het lijkt. Enerzijds representeert het kosten die gemaakt moeten worden en zijn een proxy voor lease autoos en kantoren maar anderzijds trekt de niet productieve bank sector ook schaarse echte arbeid weg uit de economie. Dat past bij mijn denken over onze papieren economie die welvaart kost en elite speeltje wordt.


“Krediet maken kost arbeid” lijkt op het eerste gezicht wat primitief: alsof een bank letterlijk met arbeid geld produceert zoals een fabriek stoelen maakt. Maar binnen jouw model heeft dat juist twee verdedigbare betekenissen. Ten eerste is het een proxy voor echte bankkosten: personeel, kantoren, administratie, beoordeling van kredietwaardigheid, contracten, toezicht, leaseauto’s, juridische afdelingen, IT-systemen, compliance. In jouw hoofdstuk staat ook dat consumenten naar de bank moeten, met functionarissen praten, contracten tekenen enzovoort; dat personeel vormt dan de arbeidsinput in de bankproductiefunctie. Ten tweede — en dat is achteraf misschien nog interessanter — maakt het zichtbaar dat de banksector echte schaarse arbeid wegtrekt uit de goederenproducerende economie. Dat is geen boekhoudkundige fictie. Als slimme mensen in banken, compliance, juridische structuren, financiële engineering, vermogensbeheer en dealmaking werken, dan werken ze niet in zorg, onderwijs, techniek, productie of echte innovatie. Daarmee krijgt je model een onverwacht kritische lading: de financiële sector produceert geldachtige claims, maar gebruikt daarvoor echte maatschappelijke hulpbronnen. Dat is precies de spanning tussen papieren rijkdom en reële welvaart.

Je zou het nu zo kunnen formuleren:

In het model is bankarbeid niet zomaar een technische input. Zij representeert de maatschappelijke kosten van een systeem waarin krediet, liquiditeit en financiële claims worden geproduceerd. Zolang die productie transacties mogelijk maakt en goede investeringen financiert, kan zij nuttig zijn. Maar zodra de sector vooral bezig is met balansvergroting, juridische afscherming, rentemarges, fiscale constructies en vermogensspelletjes, wordt bankarbeid een vorm van crowding out: echte arbeid wordt ingezet om papieren aanspraken te beheren.

Dat past inderdaad bij jouw latere thema: de papieren economie als elite-infrastructuur. Niet omdat iedere bankier nutteloos is, maar omdat het systeem de neiging heeft steeds meer talent en arbeid te absorberen in activiteiten die privaat winstgevend zijn, maar maatschappelijk slechts beperkt productief. De mooie vondst is dan: je proefschrift bevatte al een formeel haakje voor die kritiek. Je hoefde alleen later de normatieve vraag eraan toe te voegen: hoeveel echte arbeid willen we maatschappelijk besteden aan het produceren, beveiligen en verhandelen van financiële claims?


Misschien kun je de simulatie uitkomsten nog eens verwoorden met deze insteek? Passend bij mijn latere blogs en visie.


Ja. Met deze bril wordt tabel 6 eigenlijk interessanter dan een technische overgangssimulatie. Je kunt haar lezen als een klein model van de spanning tussen reële economie en papieren economie.

In het bankhoofdstuk wordt de bank formeel gemodelleerd als gewone onderneming: zij maximaliseert de waarde van haar aandelen, maar haar product is bijzonder, namelijk krediet/geld. Om dat krediet te produceren heeft zij arbeid nodig en een banklicentie. Die arbeid representeert bankpersoneel, contracten, kantoren, beoordeling, administratie en alle infrastructuur rond kredietverlening.

1. De technologische schok maakt de echte economie productiever

De simulatie begint met een positieve technologische schok in de goederenproducerende sector. De echte economie kan dus meer produceren met dezelfde of minder inspanning. In de tabel zie je daarom de vertrouwde beweging:

  • productie stijgt;
  • consumptie stijgt;
  • welvaart stijgt;
  • kapitaal groeit geleidelijk;
  • het prijsniveau daalt;
  • de economie beweegt naar een nieuwe, hogere steady state.

In gewone woorden: de echte economie wordt efficiënter. Er worden meer goederen mogelijk, mensen kunnen meer consumeren, en de kapitaalvoorraad past zich langzaam aan. Dat is de “gezonde” kant van het model.

2. De banksector krimpt juist fors

Maar dan gebeurt er iets moois: de banksector groeit niet mee. Integendeel. In tabel 6 dalen onder meer:

  • bankarbeid;
  • kredietvolume;
  • waarde van bankaandelen;
  • goodwill/licentiewaarde;
  • totale bankgeldcomponent.

Dat is belangrijk. De reële economie wordt productiever, maar daardoor is relatief minder financieel apparaat nodig om dezelfde transacties te ondersteunen. Door de lagere prijzen en hogere efficiëntie neemt de behoefte aan bepaalde vormen van krediet/geld af. De banksector wordt dus niet beloond voor de reële vooruitgang; hij wordt deels overbodiger.Als de echte economie beter gaat werken, hoeft de papieren economie niet automatisch groter te worden. Integendeel: zij kan krimpen.

3. Bankarbeid is maatschappelijk dubbelzinnig

In jouw model heeft bankarbeid twee gezichten.Aan de ene kant is zij functioneel. Kredietverlening kost echte middelen. Er moeten mensen zijn die beoordelen, administreren, contracteren, controleren en vertrouwen organiseren. Bankarbeid is dan de prijs die de samenleving betaalt om krediet en betaalmiddelen mogelijk te maken. Aan de andere kant is bankarbeid ook onttrekking. Mensen die in de banksector werken, werken niet in de goederenproductie. In de simulatie zie je dat scherp: als bankarbeid daalt, komt er relatief meer ruimte voor de reële sector. De papieren economie gebruikt echte arbeid, echte lonen, echte gebouwen en echte aandacht.

4. De goodwill van de banklicentie daalt

Misschien is dit het mooiste resultaat. De waarde van de banklicentie/goodwill daalt in de simulatie sterk. Dat betekent: het privilege om krediet/geld te mogen produceren is minder waard wanneer de economie door reële productiviteitsverbetering minder afhankelijk wordt van dat geldscheppende apparaat. De waarde van de bankvergunning is geen natuurgegeven. Zij hangt af van de maatschappelijke behoefte aan bankgeld, krediet en betaalinfrastructuur. Als dat privilege waarde heeft, is die waarde dus mede maatschappelijk geproduceerd. En dan wordt jouw latere voorstel om bankvergunningen te veilen bijna een logisch vervolg op je eigen model. Want als die licentie goodwill oplevert, is de vraag: waarom valt die goodwill volledig toe aan private aandeelhouders?

5. De simulatie als blogverhaal

Zo zou je de uitkomst kunnen verwoorden:

In mijn oude model leidt een technologische verbetering in de echte economie niet tot een grotere banksector, maar juist tot een kleinere. De goederenproductie wordt efficiënter, consumptie en welvaart stijgen, maar het financiële apparaat krimpt. Minder bankarbeid is nodig, de kredietproductie daalt en de waarde van de banklicentie neemt af. Dat is achteraf veelzeggend. De banksector is niet vanzelf de motor van welvaart; hij is een kostbare infrastructuur rond transacties, krediet en vertrouwen. Nuttig zolang hij de reële economie ondersteunt, maar maatschappelijk belastend zodra hij zichzelf gaat vergroten.

De banksector is geen gratis smeerolie. Zij is een reële sector die schaarse arbeid opslorpt om financiële claims te produceren en te beheren. Zolang die claims de productie ondersteunen, is dat verdedigbaar. Maar zodra het financiële apparaat zichzelf gaat uitbreiden, wordt het een elite-infrastructuur: privaat winstgevend, maatschappelijk twijfelachtig. Dat is precies de brug van proefschrift naar blog: destijds modelleerde je het technisch; later zag je de systeemkritische betekenis.


Dus nu zijn we klaar om de zaak te gaan moderniseren? Ik wil graag dezelfde setting van het model behouden met een geupdate versie van het bankmodel, obv nieuwste inzichten. Uiteraard wil ik dat het een macro-model blijft waarin de markten clearen en de stromen rondlopen. Ook wil indien mogelijk de kern van mijn filosofie behouden, dat banken kredieten leveren, dat die deels productief en handig zijn, maar deels ook waste of talent en rovend van de primaire sector. Banken hebben via de vergunningen ook iets quasi-monopolistisch, dat is de reden waarom ik het latere hoofdstuk Chamberlin erbij heb gehaald met rentezetting ipv rente-neming. Kortom: laten we samen nog eens kijken naar beter goed passend alternatief voor de bank, en dan gaan we de bestaande exercitie met nieuwe stationaire toestand en base scenario én een technologische shift opnieuw doen en daarna de verschillen analyseren.


Modernisering van het bankmodel

Ja, nu zijn we op het punt waar het interessant wordt. Maar ik zou het niet moderniseren door er losse moderne termen in te plakken — kapitaaleis, risico-opslag, depositorente, spread — want dan raak je precies de interne discipline van je oude model kwijt.

De opgave is scherper:

behoud het intertemporele macro-model met optimaliserende agenten, marktclearing en sluitende stromen, maar vervang de oude bankproductiefunctie door een modernere bankbalans met kredietcreatie, licentiewaarde, marktmacht en reële arbeidskosten.

Dat kan. En het sluit verrassend goed aan bij zowel de latere theorie als jouw eigen lijn.

1. Wat we behouden uit het oude model

Ik zou de kern van je proefschrift intact laten:

  • continue tijd;
  • perfect foresight;
  • representatieve consument;
  • goederenproducerende onderneming;
  • bank als onderneming;
  • bank maximaliseert marktwaarde van bankaandelen;
  • markten clearen;
  • overgangspad tussen oude en nieuwe steady state;
  • technologische schok in de goederenproductie;
  • simulatie in procentuele afwijkingen van het basispad.

In je oorspronkelijke hoofdstuk is de bank al een onderneming die krediet/geld produceert en waarvan de waarde van de aandelen wordt gemaximaliseerd. De bank heeft arbeid en een banklicentie nodig; krediet behoort tot de geldhoeveelheid omdat het als betaalmiddel wordt geaccepteerd.

Dat blijft de ruggengraat.

2. Wat we vervangen

De oude bankvergelijking was ongeveer:

\[ \frac{M_c}{P_y}=g(l_b) \]

Dus: krediet als output van een productiefunctie met bankarbeid als input.

Ik zou dat nu omdraaien.

Niet langer:

bankarbeid produceert krediet.

Maar:

krediet/deposito’s ontstaan boekhoudkundig door bankverlening, maar het in stand houden, beoordelen, beheren en verkopen van die kredietportefeuille kost arbeid.

Dus de moderne bankbalans wordt:

\[ L_t + H_t + Q^S_t S_t = D_t + E^b_t \]

waarbij:

\[ L_t = \text{leningen} \] \[ H_t = \text{reserves / afwikkelingsmiddelen} \] \[ Q^S_t S_t = \text{waarde van de banklicentie} \] \[ D_t = \text{deposito’s / bankgeld} \] \[ E^b_t = \text{bank equity} \]

De kern blijft: bij kredietverlening ontstaan tegelijk een bankactivum en een bankpassief:

\[ \Delta L_t = \Delta D_t \]

Dat is jouw oude inzicht, maar nu in balansvorm.

3. Bankarbeid blijft, maar krijgt een betere betekenis

In plaats van een productiefunctie voor krediet nemen we een servicing- en monitoringfunctie:

\[ l^b_t = \Phi(L_t,D_t,\dot L_t) \]

met:

\[ \Phi_L>0,\qquad \Phi_D>0,\qquad \Phi_{LL}>0 \]

In woorden:

  • meer uitstaande leningen vragen meer beoordeling, beheer, incasso, compliance en administratie;
  • meer deposito’s/betaalverkeer vragen meer infrastructuur;
  • snelle balansgroei vraagt extra inspanning en controle.

Dit is geen willekeurige multiplier. Het is de moderne interpretatie van je oude intuïtie: krediet maken is boekhoudkundig goedkoop, maar krediet organiseren kost echte arbeid.

En dat is precies jouw latere filosofie:

De financiële sector werkt met claims, contracten en balansposten, maar gebruikt echte arbeid, echte kantoren, echte ICT, echte juridische capaciteit en echt bestuurlijk talent.

De arbeidsmarktclearing wordt dan:

\[ l_t = l^f_t + l^b_t \]

Dus bankgroei crowdt de primaire sector uit. Niet via een morele uitspraak, maar via het model.

4. Productief versus onproductief bankieren

Hier zou ik voorzichtig maar expliciet een tweedeling maken:

\[ L_t = L^p_t + L^x_t \]

waarbij:

\[ L^p_t = \text{productief krediet} \] \[ L^x_t = \text{extractief / papieren krediet} \]

Productief krediet ondersteunt transacties, investeringen of werkkapitaal in de goederenproducerende sector.

Bijvoorbeeld:

\[ P_t j_t \leq L^p_t \]

of algemener:

\[ P_t(c_t+j_t) \leq D_t \]

Extractief krediet ondersteunt bestaande claims, vermogensposities, herfinanciering, vastgoedachtige balansvergroting of puur financiële dienstverlening. Dat levert private waarde op, maar geen extra output:

\[ Y_t = F(K_t,l^f_t) \]

en dus niet:

\[ Y_t = F(K_t,l^f_t,L^x_t) \]

Daarmee krijg je precies jouw onderscheid:

  • bankieren is deels handig en productief;
  • bankieren is deels papieren activiteit die arbeid en talent wegtrekt;
  • de maatschappelijke kosten zitten niet alleen in crises, maar ook in de permanente absorptie van schaarse arbeid.

De servicingfunctie wordt dan:

\[ l^b_t=\Phi_p(L^p_t)+\Phi_x(L^x_t)+\Phi_D(D_t) \]

met eventueel:

\[ \Phi’_x > \Phi’_p \] \[ \frac{\partial Y}{\partial L^x}=0 \]

Dan kan het model later laten zien dat een grotere banksector niet automatisch meer welvaart betekent.

5. De licentie als quasi-monopolie

Dit is de mooiste brug naar Chamberlin.

De bank mag niet zomaar deposito-geld creëren. Zij heeft een licentie nodig:

\[ S_t = 1 \]

voor een individuele bank, en macro:

\[ \int_0^n S_i\,di = \bar S \]

De licentie is schaars. Daardoor heeft zij waarde:

\[ Q^S_t = PV(\text{toekomstige licentierente}) \]

Als de overheid licenties uitgeeft of periodiek belast, ontstaat een publieke stroom:

\[ T_t = \tau^S_t \bar S \]

Die moet terugkomen bij huishoudens:

\[ \text{huishoudbudget} \; + T_t \]

Zo lopen de stromen rond. Bankwinsten verdwijnen niet in een zwart gat; zij gaan naar aandeelhouders. Licentieheffingen verdwijnen ook niet; zij gaan via overheidstransfers terug naar huishoudens.

Dit maakt jouw latere veilingidee modelmatig netjes:

De bankvergunning is een schaarse claim op het recht om maatschappelijk geaccepteerd geld te creëren. Als die claim marktwaarde heeft, kan de overheid via veiling of periodieke concessieheffing een deel van die waarde terughalen.

Maar één nuance wordt dan zichtbaar: als je te veel afroomt, daalt de franchise value van banken. Dat kan de kredietcapaciteit of stabiliteit raken. Dat is precies het soort genuanceerde resultaat dat een model interessant maakt.

6. Chamberlin: rentezetting zonder willekeurige rente

Je eerdere waarschuwing blijft belangrijk: we mogen niet zomaar rentes formuleren.

Daarom zou ik de Chamberlin-stap zo modelleren:

Er is een continuum van banken \(i\). Elke bank levert een iets gedifferentieerde krediet-/depositodienst. De aggregatie is CES:

\[ L_t = \left( \int_0^n L_{i,t}^{\frac{\sigma-1}{\sigma}}\,di \right)^{\frac{\sigma}{\sigma-1}} \]

De vraag naar krediet van bank \(i\) wordt dan:

\[ L_{i,t} = \left(\frac{R_{i,t}}{R_t}\right)^{-\sigma}L_t \]

Hier is \(R_{i,t}\) niet zomaar een losse rente. Het is de prijs van een bankdienst binnen een expliciet gemodelleerde markt met gedifferentieerde producten. De markt cleart: bij de gekozen rente wordt precies de gevraagde hoeveelheid geleverd.

De bank kiest \(R_{i,t}\) en \(L_{i,t}\) om haar waarde te maximaliseren. In symmetrisch evenwicht krijg je een markup:

\[ R_t = \frac{\sigma}{\sigma-1} MC_t \]

waarbij \(MC_t\) de marginale kosten zijn van extra kredietverlening, inclusief:

  • extra bankarbeid;
  • extra reserve-/liquiditeitsbehoefte;
  • licentieschaduwprijs;
  • eventueel kapitaal- of afdwingbaarheidsrestrictie.

Dit is geen ad hoc spread. Het is Chamberliniaanse rentezetting. De rente komt uit optimalisatie én marktstructuur.

Bij perfecte concurrentie krijg je als grensgeval:

\[ \sigma \rightarrow \infty \]

en dus:

\[ R_t = MC_t \]

Daarmee kunnen we hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 in één moderne formulering vangen.

7. Perfect foresight en toch een grens aan expansie

Omdat het model perfect foresight blijft, moeten we voorzichtig zijn met “risico”. Geen kansverdelingen, geen onverwachte defaults, geen VaR-achtige trucs.

De grens moet komen uit afdwingbaarheid of onderpand, niet uit onzekerheid.

Bijvoorbeeld:

\[ L^p_t \leq \chi_K Q_t K_t \]

of:

\[ L^p_t \leq \chi_Y PV_t(Y_t-w_t l^f_t) \]

Hier betekent \(\chi\):

welk deel van toekomstige productie of kapitaal juridisch/economisch kan worden verpand.

Dat is geen willekeurige geldmultiplier. Het is een institutionele parameter: contracteerbaarheid, onderpand, rechtssysteem, verhaalbaarheid.

Voor de bank zelf kunnen we daarnaast een franchise-value constraint opnemen:

\[ \theta L_t \leq V^b_t \]

In woorden:

de bank kan alleen zoveel geldachtige claims creëren als geloofwaardig wordt gedragen door haar toekomstige waarde als bank.

Voor jouw model zou ik beginnen met pledgeability, omdat dat perfect foresight-vriendelijker is dan risicokapitaal.

8. De minimale moderne bankblok-versie

Ik stel voor om eerst deze versie te bouwen:

Goederenfirma

Ongewijzigd:

\[ Y_t=F(K_t,l^f_t) \] \[ \dot K_t=i_t-\delta K_t \] \[ j_t=i_t+h(i_t,K_t) \]

Bankbalans

\[ L^p_t+L^x_t+H_t+Q^S_tS_t=D_t+E^b_t \]

Geldcreatie

\[ \Delta L_t=\Delta D_t \]

Liquiditeits-/transactievoorwaarde

\[ P_t(c_t+j_t)\leq D_t+M^0_t \]

of, als we dichter bij je oude model willen blijven:

\[ P_t c_t \leq D_t+M^0_t \]

Productief krediet

\[ P_t j_t \leq L^p_t \]

Niet-productief krediet

\[ L^x_t \geq 0 \]

met private vraag via een financiële-dienstenfunctie, maar zonder productiviteitseffect.

Bankarbeid

\[ l^b_t=\Phi_p(L^p_t)+\Phi_x(L^x_t)+\Phi_D(D_t) \]

Arbeidsmarkt

\[ l_t=l^f_t+l^b_t \]

Licentiemarkt

\[ \int_0^n S_i\,di=\bar S \]

Overheidsbudget

\[ T_t=\tau^S_t\bar S+\text{eventuele centrale-bankwinst} \]

Huishoudbudget

Huishoudens ontvangen:

\[ w_t l_t + d^f_t+d^b_t+T_t \]

en houden financiële activa, waaronder bankaandelen en deposito’s.

Bankdoel

\[ V^b_t= \int_t^\infty e^{-\int_t^s r_u du}d^b_s\,ds \]

De bank maximaliseert dus nog steeds aandeelhouderswaarde.

9. Wat dit model straks kan laten zien

Met deze structuur kunnen we straks dezelfde exercitie doen als in je proefschrift:

  • oude steady state vinden;
  • nieuwe steady state na technologische schok vinden;
  • overgangspad berekenen met multiple shooting of collocation;
  • tabel maken in procentuele afwijkingen;
  • vergelijken met je oude tabel 6 en eventueel hoofdstuk 3.

De interessante nieuwe vragen worden dan:

  • Krimpt de banksector opnieuw bij een positieve technologieschok?
  • Komt bankarbeid vrij voor de primaire sector?
  • Daalt de licentiewaarde?
  • Wordt productief krediet groter of kleiner?
  • Wat gebeurt er met extractief krediet?
  • Versterkt marktmacht de welvaartswinst of remt zij die?
  • Hoe groot is de wig tussen private bankwaarde en maatschappelijke waarde?
  • Wat doet een licentieheffing met welvaart, krediet en bankgrootte?

10. Mijn voorstel voor de eerste moderniseringsronde

Ik zou niet meteen alle complexiteit erin stoppen. De eerste nieuwe versie moet rekenbaar blijven.

Versie M1 — moderne basisbank

  • bankbalans;
  • deposito-creatie door krediet;
  • bankarbeid als servicing/monitoring;
  • banklicentie;
  • één krediettype;
  • perfecte concurrentie of Chamberlin als schakelbare optie;
  • geen \(L^x\) nog.

Versie M2 — Rudy-bank

  • splitst krediet in \(L^p\) en \(L^x\);
  • productief krediet ondersteunt investering/transacties;
  • extractief krediet levert private financiële diensten maar geen output;
  • bankarbeid voor \(L^x\) crowdt de primaire sector uit;
  • licentieheffing of veiling wordt toegevoegd.

Mijn voorkeur: eerst M1 exact werkend krijgen, inclusief steady state en technologische schok. Daarna M2 toevoegen. Anders weten we niet of een simulatie-effect komt door de moderne bankbalans of door de extra filosofische laag.

Banken creëren deposito-geld door kredietverlening, maar dat geldscheppende vermogen is geen gratis natuurkracht. Het berust op licentie, vertrouwen, afdwingbaarheid en bankarbeid. Daardoor is de banksector tegelijk nuttige infrastructuur en reële maatschappelijke last: zij ondersteunt transacties en investeringen, maar trekt ook arbeid en talent weg uit de primaire economie.

Kun je nog eens uitleggen hoe het in deze versie van het model zit met de soorten arbeid bij de bank? De ene soort is productief en de andere dan niet. Maar in de fysieke productie komt arbeid van banken niet terug, dus het leidt niet tot goederen. Hoe optimaliseert de bank dan tussen beide soorten arbeid? Nuttige arbeid wordt begrensd door de vraag naar geld (goederen, consumptie) maar hoe is de vraag naar onproductieve arbeid bij de bank dan bepaald?


Ja, dit is precies het punt waarop het model scherp moet worden. Je kunt niet zomaar zeggen: “er is productieve bankarbeid en onproductieve bankarbeid.” Dan moet je uitleggen waarom een winstmaximaliserende bank die tweede soort arbeid überhaupt inzet.

De korte conclusie:

Onproductieve bankarbeid kan alleen bestaan als zij voor de bank private opbrengst oplevert, ook al levert zij maatschappelijk geen goederen op.

Anders kiest de bank er nul van.

1. In het oude model was alle bankarbeid “nuttig” binnen het model

In je proefschrift produceert de bank krediet met arbeid en een banklicentie. Dat krediet wordt door consumenten gebruikt als betaalmiddel. De vraag naar krediet komt dus uit de cash-in-advance restrictie: consumenten hebben geld/krediet nodig om consumptiegoederen te kopen. De bankarbeid is daarom functioneel gekoppeld aan transacties.

Dus in het oude model:

lb → Mc → Py c

Bankarbeid levert geen fysieke goederen op, maar maakt transacties mogelijk. Dat is indirect productief.

2. In de nieuwe versie moeten we bankarbeid splitsen

Dan krijgen we:

lb = lbu + lbx

waarbij:

lbu = nuttige bankarbeid
lbx = extractieve / onproductieve bankarbeid

De nuttige bankarbeid ondersteunt betaalverkeer, kredietverlening, screening, administratie en liquiditeit. Die wordt begrensd door de vraag naar geld/krediet:

Dut ≥ Pt ct

of ruimer:

Dut ≥ Pt(ct + jt)

Daar is de vraag dus duidelijk: huishoudens en/of bedrijven hebben betaalmiddelen nodig.

Maar voor lbx geldt: als die arbeid niets produceert, niets verkoopt en geen restrictie versoepelt, dan is de optimale keuze:

lbx = 0

Een bank gaat geen juristen, marketeers, vermogensadviseurs of structurers inhuren als dat geen extra opbrengst oplevert.

3. De oplossing: onproductieve arbeid moet private rentecapaciteit produceren

De beste interpretatie is daarom niet:

onproductieve arbeid produceert niets.

Maar:

onproductieve arbeid produceert geen goederen en geen maatschappelijke liquiditeit, maar wel private extractiemogelijkheid.

Dus zij produceert bijvoorbeeld:

  • klantenbinding;
  • complexiteit;
  • lock-in;
  • juridische afscherming;
  • fiscale optimalisatie;
  • risicoverschuiving;
  • verkoop van dure financiële producten;
  • marktmacht;
  • reputatie-/statusdiensten;
  • vermogenstitels rond bestaande activa;
  • hogere fees;
  • betere mogelijkheid om een marge af te romen.

Dan wordt lbx geen vraag vanuit de goederenmarkt, maar vanuit de rente- of fee-machine van de bank.

Een eenvoudige formulering is:

Ft = Ω(lbx) Pt ct

waarbij Ft de bankfees of extractieve opbrengsten zijn, en:

Ω’ > 0,    Ω” < 0

Dus extra onproductieve bankarbeid verhoogt de fee-opbrengst, maar met afnemende meeropbrengsten.

De bank kiest dan lbx volgens:

Ω'(lbx) Pt ct = wt

In woorden:

de bank huurt extractieve arbeid in zolang de extra fee-opbrengst groter is dan het loon.

Dat is netjes micro-economisch. De vraag naar die arbeid komt niet uit maatschappelijke behoefte, maar uit private opbrengst.

4. Maar de stromen moeten rondlopen

Die fees verdwijnen niet. Ze worden betaald door consumenten of bedrijven en komen terug als bankwinst/dividend.

Bijvoorbeeld in de huishoudbudgetrestrictie:

Ȧt = Rt(At – Mt) + wtlt + dft + dbt + Tt – Ptct – Ft

En bij de bank:

dbt = opbrengst nuttige kredietverlening + Ft – wt(lbu + lbx)

Dus Ft is een transfer van huishoudens/bedrijven naar banken. Als huishoudens ook bankaandeelhouders zijn, komt die transfer deels terug. Maar de arbeid die nodig was om die transfer af te dwingen of te organiseren, komt níét terug. Dat is het echte maatschappelijke verlies.

Dat past mooi bij jouw filosofie:

De winst zelf is deels een verdelingskwestie. De arbeid die nodig is om die winst te organiseren is een reële welvaartskost.

5. Nuttige en onproductieve arbeid optimaliseren verschillend

Voor nuttige bankarbeid geldt ongeveer:

Dut = G(lbu)

met:

G’ > 0,    G” < 0

De bank kiest lbu omdat krediet/deposito’s gevraagd worden als betaalmiddel. De marginale opbrengst komt uit de prijs/rente/fee op nuttige liquiditeit.

Voor extractieve arbeid geldt:

Ft = Ω(lbx) · grondslag

Die grondslag kan zijn:

Pt ct

of:

At

of:

Lt

of:

Pt yt

Afhankelijk van wat je wilt modelleren: consumptiefees, vermogensbeheer, kredietmarges, betaalverkeer, hypotheekproductie, juridische claimstructuren.

De bank kiest dan:

marginale private opbrengst van lbu = wt

en:

marginale private opbrengst van lbx = wt

Maar maatschappelijk is het verschil groot:

lbu ondersteunt transacties
lbx ondersteunt extractie

6. Nog mooier: Chamberlin en marktmacht

In jouw latere hoofdstuk over Chamberlin kun je lbx ook interpreteren als arbeid die de vraagcurve van de bank gunstiger maakt.

Dus niet alleen:

Ft = Ω(lbx)Ptct

maar:

σt = σ(lbx)

waarbij σ de prijselasticiteit van de vraag naar bankdiensten is.

Meer marketing, complexiteit, lock-in en productdifferentiatie maken klanten minder prijsgevoelig:

σ'(lbx) < 0

De markup wordt dan groter:

μt = σt / (σt – 1)

Dus onproductieve arbeid produceert marktmacht. Dat is conceptueel heel sterk:

de bank gebruikt arbeid niet om betere kredietverlening te leveren, maar om minder concurrentie te ervaren.

Dat is precies de brug naar jouw “elite-speeltje”-lijn. Een deel van de financiële sector bestaat dan uit arbeid die niet de economie smeert, maar de tolpoort verstevigt.

7. De beste eenvoudige versie voor ons rekenmodel

Voor de eerste modernisering zou ik het nog niet te ingewikkeld maken. Ik zou kiezen voor deze structuur:

lb = lbu + lbx
Dt = G(lbu)
Dt ≥ Pt ct
Ft = Ω(lbx)Dt
dbt = RtDt + Ft – wt(lbu + lbx)

Dan is:

  • lbu nodig om geld/krediet te leveren;
  • lbx nodig om extra private bankopbrengst uit die geldstroom te halen;
  • Ft komt terug als bankdividend;
  • wtlbx is reële verspilling van arbeid;
  • de arbeidsmarkt cleart:
lt = lf + lbu + lbx

Daardoor zie je in de simulatie straks precies wat je wilt zien:

een banksector kan privaat waarde creëren terwijl zij maatschappelijk arbeid onttrekt aan de primaire productie.

8. Belangrijke waarschuwing

Als we lbx opnemen, moeten we niet doen alsof de bank “onproductieve arbeid vraagt”. Dat doet geen enkele optimaliserende onderneming.

We moeten zeggen:

de bank vraagt arbeid die privaat productief is voor de bank, maar maatschappelijk niet productief is voor de goederenproductie.

Dat is het nette onderscheid.

Dus:

soort arbeid private functie voor bank maatschappelijke functie
lbu krediet/deposito’s leveren transacties en investeringen mogelijk maken
lbx fees, marktmacht, lock-in, rent extraction geen goederen, wel arbeidscrowding-out

De kernzin:

Onproductieve bankarbeid bestaat in het model niet omdat iemand er maatschappelijk behoefte aan heeft, maar omdat zij de bank helpt een private marge op maatschappelijk noodzakelijk geldverkeer te organiseren. De vraag ernaar wordt dus niet bepaald door consumptie van goederen, maar door de extra extractieve opbrengst die deze arbeid mogelijk maakt.

Previous Post Next Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*