766 Bank-plus-model M3-P afronding (11)

Inmiddels de 11e en laatste blog in deze serie die ging van een bescheiden eenvoudig en wat onbeholpen bankmodel uit 1991 naar een moderne en uitgebreide gekleurde interpretatie van de groei van de papier-sector en de ‘crowding out’ van het fysieke werkende deel der natie. Het model kent schuldverschuiving (als de werkenden niet meer genoeg verdienen om van rond te komen kunnen ze (door de paperindustrie zelf gemaakt) geld lenen en moeten ze uiteraard rente betalen), een onrust-indicator, een extractie-graad etc. Met dit model zouden we nog veel meer kunnen doen. Stel dat de onrust te groot wordt en de extractie door de papier-sector in het geding komt, dan zouden ‘we’ kunnen spelen met een ‘compensatie-regeling’ (kwartje van Kok -achtig, nu de korting op OV-reizen etc) om de onrust af te kopen en binnen de perken te houden, alles met het oog op het in stand houden van de extractie-machine. Want dat is de kern van optimale extractie, niet te veel en niet te weinig, precies goed om de geëxtraheerden bij de les te houden en het systeem in stand.

Super leuk om dit oude verhaal in deze moderne AI-tijd nog eens te mogen oppakken. Zonder last en ruggespraak van de promotores en zonder de verplichting van wetenschappelijke correctheid en literatuur-onderzoek en noten-apparaat. Gewoon lekker met modelletjes pielen en zorgen voor een intern consistente redenering waarbij de discussie mag en moet gaan over de aannames achter het model. Vergeet niet dat ook de modellen van het CPB en IMF en whatever (alles waar getallen uit komen rollen) aan elkaar hangt van aannames en ik zie de discussie nog steeds te veel alleen gaan over de uitkomsten en te weinig over de achterliggende aannames en hoe je die ook anders kunt formuleren.


M3-P: brede bank, papiersector en extractie bij lagere productiviteit

Deze versie van het model is geen voorspelling en geen CPB-raming. Het is een economisch consistent denkscenario. De vraag is: hoe kan een groeiende papiersector — bank, regels, rapporten, advies, lobby, marketing en morele legitimering — een groter deel van de fysieke productie opeisen, vooral wanneer de netto-productiviteit van fysieke arbeid daalt?

Leeswijzer
  1. Waarom M3-P nodig is na het oude bankmodel
  2. Wat modeltechnisch verandert, stap voor stap
  3. De nieuwe kernvergelijkingen
  4. Balansverlenging en papieren claims
  5. Marketing, lobby en politiek als papierfabriek
  6. Onrust en compensatie
  7. Basiskalibratie: een latere papiermaatschappij bij ε = 0,25
  8. Zuivere schok: ε = 0,24 bij gelijk papieraandeel
  9. Interpretatie: waarom de extractie vanzelf zwaarder gaat drukken

1. Van proefschriftbank naar brede papiersector

In het oorspronkelijke proefschriftmodel werd de bank gemodelleerd als een onderneming die krediet/geld levert. De bank was geen doorgeefluik van spaargeld, maar een producent van krediet dat als betaalmiddel functioneert. Om dat krediet te leveren gebruikte de bank arbeid en een banklicentie.

M3-P trekt die gedachte breder. De oude banksector wordt niet weggegooid, maar opgenomen in een grotere sector:

bankadviesrapportagetoezichtcompliancecommissieslobbymarketingmorele legitimering

Die bredere sector noemen we de papiersector. Hij produceert claims, regels, rapporten, verplichtingen, adviezen, kredieten, controles en verhalen. Hij kan nuttig zijn, maar hij produceert niet rechtstreeks fysieke goederen.

Kernzin. In 1991 was de bank een geldscheppende onderneming. In M3-P wordt zij de voorloper van een bredere papiersector: een gebouw met meerdere ingangen — finance, regels, advies en politiek — waarin dezelfde klasse telkens een nieuwe rol kan vinden.

2. Wat verandert modeltechnisch?

De overgang van het oude bankmodel naar M3-P gebeurt in stappen. Dit is belangrijk, omdat we niet zomaar een politiek verhaal boven op een model willen plakken. Elke stap moet zichtbaar zijn in een vergelijking of een boekhoudkundige relatie.

StapOud modelM3-PWaarom dit nodig is
1. GeldvraagCash-in-advance: geld/krediet is nodig om consumptie te kopen.Cash-in-advance verdwijnt als centrale motor. In plaats daarvan komen schuld, rente en verdelingsbudgetten centraal te staan.Het gaat nu niet meer primair om transacties, maar om papieren claims op fysieke productie.
2. BankarbeidBankarbeid produceert krediet via een bankproductiefunctie.Bankarbeid wordt onderdeel van papierarbeid: finance, checks, regels, rapporten, marketing, lobby en legitimering.Geld/krediet maken kost arbeid, maar het bredere papiergebouw kost veel meer: controle, advies, compliance, rapporten, politiek.
3. ConsumentEén representatieve consument.Twee groepen: fysieke werkenden W en elite/papierklasse E.Extractie kan niet bestaan als iedereen aan zichzelf betaalt. Schuld van W is bezit of inkomensstroom voor E.
4. BankbalansBankkrediet en banklicentie/goodwill staan centraal.Balansverlenging: meer bruto claims, schulden en papieren rechten tussen W en E.Netto kan de economie gelijk lijken, terwijl bruto schulden en claims groeien.
5. MarketingNiet expliciet.Marketing en behoeftecreatie worden modelvariabelen.Als de oude productieve functie krimpt, probeert de papiersector nieuwe diensten en afhankelijkheden te verkopen.
6. Lobby/politiekNiet expliciet.Politiek kan worden gelezen als papierfabriek: regels creëren nieuw papierwerk en nieuw advieswerk.De papiersector maakt deels zijn eigen markt via regelgeving, commissies en morele claims.
7. OnrustGeen sociale stabiliteitsvoorwaarde.Onrustindicator U toont wanneer extractie te ver gaat.Optimale extractie is: zoveel mogelijk afromen, maar niet zoveel dat het systeem instabiel wordt.
8. CompensatieGeen aparte terugsluis.Compensatie TW kan werkenden ondersteunen; in de zuivere schok staat zij op nul.Terugsluis is geen tegengif tegen extractie, maar kan onderdeel zijn van systeembehoud.

3. De kernvergelijkingen van M3-P

3.1 Arbeid

De totale arbeid wordt verdeeld in fysieke arbeid en papierarbeid:

Arbeid l = lW + lP
Papier lP = lF + lR + lM

Hierbij staat lF voor financiële arbeid, lR voor regel-, rapportage-, advies- en commissiewerk, en lM voor marketing, lobby en morele legitimering.

3.2 Fysieke productie

Alleen fysieke arbeid komt rechtstreeks in de productie van fysieke goederen terecht:

Productie Y = ε · F(K, lW)

De parameter ε is hier de netto-productiviteit van de fysieke sector. In het energietransitievoorbeeld kan een daling van ε staan voor hogere energiekosten, regeldruk, fysieke aanpassingskosten, rapportageverplichtingen en andere lasten zonder directe productiviteitswinst.

3.3 Goederenmarkt

De fysieke output wordt gebruikt voor consumptie van werkenden, consumptie van de papierklasse en investering:

Goederen Y = cW + cE + j

In stationaire toestand nemen we:

Investering j = δK
Consumptie c = Y − j

3.4 Werkendenbudget

De fysieke werkenden ontvangen loon uit fysieke arbeid, maar betalen rente op schuld en eventueel papierlasten. Compensatie kan worden toegevoegd, maar staat in de zuivere schok op nul.

W-budget cW = w·lW − RCBW − τWw·lW + TW

In de zuivere schok gebruiken we:

Zuiver τW = 0,   TW = 0

3.5 Elite- en papierklasse

De elite/papierklasse krijgt wat overblijft uit de consumptieruimte. In uitgebreidere versies kan dit worden uitgesplitst in lonen uit papierarbeid, dividenden, bankwinsten, rente-inkomsten, fees en politieke/adviesinkomsten.

E-consumptie cE = c − cW
E-inkomen inkomensstroom E = Df + Db + RCBW + fees + w·lP

3.6 Extractiegraad

De eerste, eenvoudige extractiegraad meet welk deel van de fysieke loonmassa wordt afgeroomd via rente en eventuele papierlasten.

Extractie xW = (RCBW + τWw·lW + CPdoorbelast) / (w·lW)

In de zuivere schok tellen we alleen de rentestroom:

Zuiver xW = RCBW / (w·lW)

4. Balansverlenging: waarom netto niet genoeg is

In een representatief model verdwijnt schuld vaak: de ene hand betaalt aan de andere hand. In M3-P is dat precies wat we niet willen. Daarom splitsen we de samenleving in W en E.

Werkenden AW = −BW
Elite AE = Ef + Eb + BW + Mx + overige claims

De schuld van werkenden is dus tegelijk een bezitting of inkomensbron van de elite/papierklasse. Netto kan de economie weinig veranderen, maar bruto ontstaat een langere balans: meer schuld, meer claims, meer rente, meer advies en meer beheer.

Claims GP = BW + Mx + Eb + QSS + overige papierclaims

Dit is de modelmatige kern van balansverlenging: de papieren laag groeit als bruto claimlaag boven op dezelfde fysieke productie.

5. Marketing, lobby en politiek als papierfabriek

In M2-v2 kwam al naar voren dat de banksector bij terugval van de productieve kredietfunctie marketing en complexiteit kan inzetten om nieuwe papieren diensten te verkopen. In M3-P wordt dit breder: niet alleen banken doen dat, maar ook adviesbureaus, beleidsorganisaties, kennisinstellingen, toezichthouders, commissies en lobbygroepen.

De marketing- en lobbylaag kan zo worden geschreven:

Marketing lM = lM0 + βM·max(0, xW − x0) + βU·𝒰

Als de extractiedruk of onrust toeneemt, groeit de behoefte aan uitleg, framing, rapporten, campagnes, transitieverhalen, commissies en advies. Dat maakt de papiersector gedeeltelijk zelfversterkend.

Framing m = m0 + λMlM

De politiek kan in dit model worden gezien als papierfabriek wanneer lobby en beleid nieuwe verplichtingen creëren:

Regelwerk lR = lR0 + βR·regels + βS·subsidieprogramma’s + βC·controlelast

In gewone taal: meer beleid geeft meer regels; meer regels geven meer rapporten; meer rapporten geven meer advies; meer advies geeft meer controle; meer controle geeft meer bewijs dat het allemaal ingewikkeld is; en die ingewikkeldheid rechtvaardigt weer meer papierwerk.

Belangrijk. Deze marketing-, lobby- en politieklaag staat nog niet aan in de zuivere schok hieronder. Daar houden we lP/l gelijk op 10%. Dat is expres: eerst laten we zien dat bestaande papieren claims al zwaarder worden als ε daalt. Daarna kan een vervolgstap laten zien wat er gebeurt als de papiersector actief reageert.

6. Onrust en compensatie

De papierklasse kan niet onbeperkt afromen. Op enig moment ontstaat onrust: schuld, koopkrachtverlies, ongelijkheid en het gevoel dat de onderkant betaalt voor de morele hobby’s van de bovenkant.

Onrust 𝒰 = a1(RCBW / w·lW) + a2(BW/Y) + a3(cE/cW) + a4(c̄W − cW)+ − a5m − a6TW

Morele legitimering m verlaagt de zichtbare onrust: “het is nodig voor klimaat, veiligheid, toekomst, kwaliteit of rechtvaardigheid”. Compensatie TW verlaagt onrust ook, maar kan tegelijk onderdeel zijn van systeembehoud.

Compensatie TW = κ·FL
Heffing FL = τL·GWP

Hier staat GWP voor de franchise- of vergunningwaarde van het papierprivilege: bankvergunning, toezichtstatus, accreditatie, toegang tot subsidiekanalen, certificeringsmacht of beleidsmonopolie. In de zuivere schok zetten we:

Zuiver TW = 0

Maar het model laat zien dat terugsluis later kan worden toegevoegd. Dan wordt optimale extractie een beleidsvraag.

7. Optimale extractie

De cynische versie van optimale extractie is eenvoudig:

Elite max xW   onder de beperking   𝒰 ≤ 𝒰̄

In gewone taal:

Zoveel mogelijk van de fysieke productie opeisen, maar niet zoveel dat de pleuris uitbreekt.

De mildere publieke versie is:

Beleid kies τL en TW zodat extractie wordt afgeremd zonder de nuttige infrastructuur volledig te slopen

Daarmee wordt het model bruikbaar voor denkscenario’s: wat gebeurt er zonder compensatie, met lichte compensatie, met zware licentieheffing, of met sterke morele legitimering?

8. Basiskalibratie: M3-P bij ε = 0,25

We beginnen niet bij het oorspronkelijke 1991-model, maar bij een latere papiermaatschappij. Tien procent van de arbeid zit inmiddels in de brede papiersector. Daardoor ligt de fysieke productie al lager dan in de oorspronkelijke bank-steady-state.

GrootheidWaardeUitleg
ε0,25netto-productiviteit fysieke sector in de basis
Totale arbeid l7,551dicht bij oude stationaire toestand
Papierarbeid lP0,75510% van totale arbeid
Fysieke arbeid lW6,79690% van totale arbeid
Kapitaal K3,246aangepast aan lagere fysieke arbeidsbasis
Productie Y1,292lager dan oude bankbasis door minder fysieke arbeid
Investering j0,325j = δK
Consumptieruimte c0,968Y − j
Loonmassa w·lW0,643inkomen fysieke werkenden vóór rente
Schuld BW0,300bestaande schuld werkenden
Rente RC0,10rente op werkendenschuld
Rentestroom RCBW0,030van W naar E/papier
Consumptie W cW0,613w·lW − RCBW
Consumptie E cE0,355rest van consumptieruimte
Schuldquote BW/Y23,2%bruto schuld t.o.v. fysieke output
Extractiegraad xW4,7%rentelast als aandeel van fysieke loonmassa

9. Zuivere schok: ε = 0,24

Nu doen we één ding: we verlagen de netto-productiviteit van de fysieke sector.

Schok ε: 0,25 → 0,24

Het aandeel papierarbeid blijft gelijk:

Vast lP/l = 10%

Er is dus nog geen extra lobbyreactie, geen grotere papiersector, geen hogere rente, geen extra schuld en geen compensatie. Juist daardoor is deze schok schoon.

GrootheidBasis ε=0,25Schok ε=0,24Verandering
Papierarbeid lP/l10%10%gelijk
Fysieke arbeid lW6,7966,796gelijk
Kapitaal K3,2463,140−3,3%
Productie Y1,2921,220−5,6%
Investering j0,3250,314−3,3%
Consumptieruimte c0,9680,906−6,4%
Loonmassa w·lW0,6430,592−8,0%
Rentestroom RCBW0,0300,030gelijk
Consumptie W cW0,6130,562−8,4%
Consumptie E cE0,3550,344−3,0%
Aandeel W in consumptie63,3%62,0%daalt
Aandeel E/papier in consumptie36,7%38,0%stijgt
Schuldquote BW/Y23,2%24,6%stijgt
Extractiegraad xW4,7%5,1%stijgt

10. Wat laat deze zuivere schok zien?

Zelfs als de papiersector niet groeit, gaat hij zwaarder wegen. Dat komt doordat de fysieke basis kleiner wordt. Dezelfde schuld, dezelfde rente en dezelfde papierclaims drukken op een kleinere fysieke productie en op een lagere fysieke loonmassa.

De extractiekern. De papierklasse hoeft niet agressiever te worden om relatief meer te krijgen. Als de fysieke productiviteit daalt en papieren claims blijven staan, verschuift het aandeel in de beschikbare output vanzelf richting papierklasse.

Dat is precies het energietransitie- of regeldrukscenario: de fysieke sector moet meer kosten dragen zonder directe productiviteitswinst. De werkenden merken dat in hun loonmassa en consumptieruimte. De papierklasse wordt ook geraakt, maar minder hard. Haar aandeel in de kleinere koek stijgt.

Daarom is M3-P nuttig als denkscenario. Het laat niet zien dat dit altijd zo zal gebeuren. Het laat wel zien dat de redenering economisch consistent kan worden gemaakt:

  • minder fysieke productiviteit;
  • zelfde papieraandeel;
  • zelfde rentestroom;
  • lagere fysieke loonmassa;
  • hogere relatieve extractie;
  • groter aandeel van E/papier in de consumptieruimte.

11. Waar de volgende laag begint

De zuivere schok is bewust sober. Daarna kunnen we pas extra mechanismen aanzetten:

Escalatie 1 RC ↑   hogere rente op werkendenschuld
Escalatie 2 BW ↑   meer schuld om consumptie of vaste lasten te dragen
Escalatie 3 lP ↑   meer advies, rapporten, controles, lobby en beleid
Escalatie 4 m ↑   meer morele legitimering om onrust te dempen
Escalatie 5 TW ↑   compensatie om de boel bestuurbaar te houden

Maar die vervolgstappen zijn pas overtuigend als de basis eerst helder is. En die basis is: bij lagere fysieke productiviteit worden bestaande papieren claims zwaarder.

12. Slotformulering

De onderkant betaalt niet alleen de transitie. Zij betaalt ook het apparaat dat de transitie uitlegt, organiseert, controleert en moreel boven haar verheft.

Of, modelmatiger:

Kern ε ↓ ⇒ Y ↓ en w·lW ↓, terwijl RCBW blijft staan ⇒ xW
Previous Post
@media print { /* Verberg alle ongewenste onderdelen */ header, .site-header, nav, .main-navigation, .sidebar, .site-sidebar, aside, footer, .site-footer, .widget-area, .breadcrumbs, .post-meta, .related-posts, .comments-area, .print-hide { display: none !important; height: 0 !important; margin: 0 !important; padding: 0 !important; overflow: hidden !important; } /* Verberg ook bepaalde vaste*